Stedendriehoek

Goed Bekeken: 432 hertz

Column Eke Manink

Wandeling door de stad, ik heb net een burgerplicht vervuld. Een warm zakje met onwelriekende inhoud ligt in een vuilnisbak langs de Berkel, mijn zwarte monster loopt kwispelstaartend naast me.

Uit een geparkeerde auto langs de Oudewand klinkt muziek. Een dame klampt de chauffeur aan, die bij zijn kofferbak staat. ‘Is dit een cd?’ vraagt ze hem. ‘Wat hoor ik?’

De man laat een hand op de achterklep liggen. ‘Dit is Radio 4 mevrouw,’ antwoordt hij. ‘Ik luister iedere ochtend. Geen idee wat u hoort, maar ik vind het ook mooi.’

Samen staan ze te luisteren. De man met zijn arm nog in de lucht, op de omhoogstaande achterklep, de vrouw met haar hoofd een beetje naar voren – alsof ze zich zo beter kan concentreren. We passeren het openstaande portier. Op de instrumentale klanken – violen, zacht slagwerk, wat blazers – zet plotseling een koor in. IJle stemmen vormen pilaren in de ruimte. Ik kijk om, zie de twee nog altijd als bevroren staan, intens luisterend. Dan opent de mond van de vrouw zich, ik ben inmiddels te ver weg om te verstaan wat ze zegt. Misschien heeft ze het over de frequentie van het hart, 432 hertz.

Laatst vertelde iemand me daarover. Net voor de Tweede Wereldoorlog zou deze frequentie, waarin instrumenten gestemd waren, verhoogd zijn naar 440 hertz, dat correspondeert met het hoofd. ‘Liefde versus ratio,’ benadrukte hij.

Inmiddels las ik dat de grondtoon ‘do’ – van do, re, mi fa, sol – van oudsher 432 trillingen per seconde kent, een toon die nauw verband houdt met het universum om ons heen. Die toon zit verweven in de natuur, in de wiskunde, in de planeetbanen. Dat is waarom muziek zo goed voor ons is, ze stemt ons als het ware af op het ons omringende. Plato had het er al over.

Propagandaminister Goebbels besloot in 1936 dat 440 hertz de standaard werd. ‘De nazi’s wilden iedereen van zijn natuurlijke afstemming afhalen,’ las ik op het net, ‘en daarmee de spirituele ontwikkeling tegenwerken.’

Oef. Middenin mijn gepeins staat de riem strak. De hond moet nóg een keer. Voor de deur van de koffietent in de Sprongstraat valt een drol op straat. Ik schaam me diep. Vind een zakdoek in mijn jas, buk me om het uitwerpsel op te rapen. Voor ik het weet, sprint de dader met riem en al weg. Vliegensvlug ren ik naar de dichtstbijzijnde prullenbak en dan als een haas in de richting waarin mijn hond verdween. Ik volg een spoor van half omkijkende, lachende gezichten en kom al snel uit bij Nijkamp, de bakker in de Beukerstraat. Bekend terrein voor de viervoeter. Ze wacht altijd braaf voor de deur, krijgt vaak een broodje van een van de medewerkers.

Nu zie ik haar binnen in de zaak staan schrokken. Ze heeft net een croissant uit de etalage verorberd en likt de kruimels op. Twee winkelbedienden staan te gieren van de lach. Ik mompel met rood hoofd dat ik de schade zal betalen. ‘Hoeft niet hoor,’ roepen ze breed lachend, ‘dat was brood van gisteren.’

Aan de toonsoort hoor ik: dat zit wel goed met hun hoeveelheid hertz.