Columns
Eke Mannink
We zaten erwten te doppen: mijn Haarlemse neef, zijn vriend en ik, erwten en kapucijners. Dat klinkt wellicht wat ouderwets, maar in het voedselbos in Almen – waar we dopten – zijn de hoeveelheden modern groot. We hadden het over koffie, waarschijnlijk omdat we daar allemaal naar verlangden. De afgelopen jaren is ijskoffie erg in, begreep ik van de jonge generatie. ‘Ik neem dat nooit,’ zei neef, ‘geef mijn maar sterke koffie zonder iets erin.’ Zijn vriend was het ermee eens.
Ik besefte dat in de loop van mijn inmiddels al best lange leven de kwaliteit van de koffie in ons landje enorm toegenomen is. Een heuse koffiecultuur heeft zich in Noordwest-Europa ontwikkeld.
De bakkies uit de automaat in het KRO-gebouw vroeger bevatten een soort slootwater. Het enige voordeel van de verhuizing naar een modern pand verderop in Hilversum waren de nieuwe automaten, die serveerden opeens fancy soorten koffie. Espresso, cappuccino, café crème… nog niet zo’n uitgebreide lijst als we nu kennen, maar toch. Het menu van destijds zorgde geregeld voor lange rijen. Naar mijn weten bestond het woord ‘barista’ toen nog niet in onze taal. En al die jaren die volgden zou de smaak van de koffie verfijnd worden.
‘Ik werkte een tijdje in een grammofoonplatenfabriek,’ zei de vriend van de neef. ‘Ik moest ze in hoezen schuiven.’ Neef knikte, hij herkende de fabriek en had een tijdje hetzelfde gedaan. ‘Daar was de koffie echt niet te doen.’ In gedachten ging ik de plekken in Zutphen af waar ik de jongens mee naartoe zou kunnen. Goeie koffie genoeg in ons stadje.
‘Is dit nou een kapucijner?’ vroeg neef. ‘Het lijkt wel een koffieboon.’
Zijn constatering bracht me naar de tijd toen SOS Wereldhandel nog bestond, de voorloper van Fairtrade. Onder meer in opdracht van die organisatie reisde ik, met drie anderen, af naar Guatemala en El Salvador, om koffieboeren op coöperaties te bezoeken. We moesten in kaart brengen in hoeverre de boeren geholpen waren met het coöperatieve systeem en onderzoeken of en hoe het beter kon. Tegelijkertijd was het de bedoeling om een diaserie te maken – ach ja, dat was nog de tijd van de dia’s – die geschikt was om in Wereldwinkels te vertonen. Ik was me er destijds niet van bewust, maar die reis lag ten grondslag aan mijn latere radiowerk.
De waarden en normen van de inheemse Guatemalteekse bevolking maakten indruk. We bezochten dorpjes waar de bewoners nog nooit een wit mens hadden ontmoet Ik werd ‘gringa’ genoemd, de andere drie waren ‘gringo’s. Als ik na een dag werken thuiskwam bij het gezin waar ik overnachtte, hadden ze een bord op tafel staan. Een stapel maistortilla’s ernaast, een pan met rijst en een met snitzelachtig vlees, lang en dun. Daarnaast een citroen, om over het vlees uit te knijpen. Later hoorde ik dat dit gezin bijna nooit vlees at. Ze wilden de vreemdeling het gevoel geven welkom te zijn.
‘Tante,’ mijn neefs stem klonk van ver, al stond-ie best dichtbij. Ik belandde weer in het nu, na het uitstapje naar midden jaren negentig. ‘Of je koffie wilt.’
Ik knikte. Natúúrlijk!