Columns

Reservering

Terwijl we Porto uitreden, keek ik weemoedig naar de glinsterende streep Atlantische Oceaan die langzaam verdween. Wat een bruisende stad. Vorige week schreef ik in dit hoekje dat ik hoopte een vergelijking met ons eigen stadje te kunnen trekken.
Goed, daar gaan we.

Porto ligt óók aan een rivier, al zijn de IJssel en de Douro nogal verschillend van karakter.

Ze zijn allebei mooi, dat zeker. De IJssel is een relatief korte, rustige aftakking van de Rijn, terwijl de Douro een grillige en lange rivier is die diepe valleien door het Iberisch schiereiland snijdt; hij doorkruist ook een deel van Spanje.
We waren beiden al in Porto geweest, geliefde en ik – ver voor we elkaar kenden. Wat ons allebei opviel, was de enorme toename van toeristen, en de bijbehorende voorzieningen. In het centrum krioelden vreemdelingen uit allerlei windstreken in de Rivermarket, op de rondvaartboten, de bruggen, in de trams, en de Funicular – het bergkabelbaantje. We krioelden een dag lang mee. Liepen kerken in en uit, bewonderden tegelpatronen aan gevels, fotografeerden muurschilderingen en bekeken met open mond het enorme vis-in-blik-paleis langs de Douro, waar alle denkbare geboortejaren op sardineblikjes afgedrukt waren, en iedereen een souvenir voor wie dan ook thuis kon meenemen.

In de winkel ernaast was het de bedoeling dat je een reusachtige pastei de bacalhau bestelde, met een glas Douro – witte wijn – erbij, voor een eurootje of achttien. Inmiddels hadden we beide producten al eens in de supermarkt gehaald. Met een euro of zeven ben je daar klaar. Maar goed, wellicht was deze kwaliteit uitzonderlijk…

Wat tot de laatste categorie behoort, was zonder twijfel het spel van de straatmuzikant die we aan de drukste kant van de rivier troffen. Hij speelde wereldhits op een heel eigen manier. Toen ik hem een paar euro’s kwam brengen, sprak-ie me aan. ‘Ik speel op bruiloften,’ zei-ie in het Engels. ‘Dat je het weet. Komend weekend reis ik naar Parijs voor een trouwerij, en de week erna zit ik in Zuid-Spanje.’ Ik knikte hem toe. ‘We zetten je naam in onze agenda,’ zei ik. Gedaan.

Inmiddels verblijven we in een oud vissersdorp in Galicië. Zo ongeveer het tegenovergestelde van Porto, als het om hoeveelheden mensen gaat. En toch, ook hier is het druk, maar dan in het hoogseizoen. ‘We zijn echt ontdekt door de toeristen,’ vertelde een inwoonster ons. ‘Noord-Europeanen kwamen hier al. Spanjaarden uit het zuiden weten ons nu ook te vinden, ze ontvluchten de hitte hier. Echt irritant: we hebben één goed restaurant, dat zit op zomerdagen altijd vol.’

Zojuist heb ik gereserveerd bij het betreffende restaurant. De zoon van een ober loodste me mee naar boven. ‘Nee,’ zei ik in mijn steenkolen-Spaans, ‘we willen morgen pas eten.’ Kom mee, gebaarde hij, naar de chef. Die zat in een klein kantoortje achter een notenhouten tafel. Hij had een vulpen in zijn hand en een groot, gelinieerd schrift voor zich. ‘Wanneer wil je eten en met hoeveel?’ was de vraag. ‘Morgen,’ zei ik, ‘met zijn tweeën.’

Om half vier ’s middags zijn we welkom, na de siësta.

Kom daar maar eens om in Zutphen.