Columns
Eke Mannink
Hij is wit, met rode bloemen. Gedeukt aan alle kanten. Flink oud. En ik heb de neiging hem ‘zij’ te noemen. Ooit maakte Het Goede Doel, de band van Henk & Henk, een liefdesliedje: ‘Je bent precies een Franse auto, mooi en onverslijtbaar volgens de reclamespot,’ kwam daarin voor. ‘Maar als de motor nog wil lopen, dan is het plaatwerk al verrot.’ Mijn bus is niet Frans, maar ik herken haar helemaal.
Hondje Hazel is gek op autorijden, of nee, ik moet helaas zeggen: was. Onlangs zoefden we over de A1 toen boven ons een hels kabaal klonk. Een klap, alsof het dak eraf vloog. Dat was dan ook bijna het geval. De oude bus is een tot camper omgebouwd huisje. Het dak kan omhoog met een veerconstructie. Bij Twello raakte er een schroef los uit een van de klemmen waarmee het voordak vastzat. De helft van het dak schoot omhoog, het doek eronder ving wind en dat zorgde voor die plotselinge klap. Daarna bleef het driftig wapperen. Met bonzend hart reed ik verder, één hand aan de greep van het dak, de andere aan het stuur. Hazel was onder het handschoenkastje gedoken, bibberend. Gelukkig kwam de oprit naar een benzinestation in zicht, daar konden we bijkomen.
Hazel bleef bang, zelfs hondenkoekjes konden haar niet afleiden. Toen de liefdevolle, lichtelijk bezorgde hulptroep arriveerde – ik kon op deze manier niet verder rijden en er was geen gereedschap voorhanden (bovendien, laat ik eerlijk zijn, zoiets kan ik zelf niet repareren) – schoot de hond meteen in zijn auto, trillend en wel. Een vleugelmoer bood uitkomst. Na een minuut of tien kon ik weer verder. Hazel durfde niet meer mee, zij reed terug met de andere baas.
Terwijl ik verder tufte, zo nu en dan angstig omhoog kijkend – dat bleek gelukkig onterecht –, overdacht ik mijn relatie met de bus. Ze is in mijn leven sinds 2013. Toen de kinderen klein waren, nam ik ze af en toe mee. Naar Legoland in Denemarken, naar Wijk aan Zee, naar Frankrijk… Sinds ik met mijn geliefde ben, reizen we als duo. Geliefde is groot, de bus vrij klein, maar naar eigen zeggen slaapt-ie nergens beter.
De bus heeft veel op wildkampeerplekken gestaan. Aan Schotse meren, langs de Ierse Zee, op weilanden in Wales, in Italiaanse woonwijken. Maar ook op een Sloveense camping, voor het huis van mijn Londense oom, op het erf van een droomhuis in Frankrijk…
Ik heb er nachtelijke angsten doorstaan. Wist me dan plotseling omsingeld door jagers, dronkelappen of geweldenaars. Als ik tegen de ochtend in slaap was gesukkeld en bekaf weer wakker werd, bekroop me steevast een geluksgevoel: we leven nog. Dóór, naar de volgende plek. We weten niet waar we vanavond belanden, gaan eerst op zoek naar goede koffie. En als we die niet kunnen vinden, dan zetten we hem zelf.
Nomadisch leven, da’s wat we graag doen. Het is zover; na een zomer hard werken gaan we weer op pad. Zonder Hazel, dat wel. Als we geluk hebben, leest u volgende week in dit hoekje of Porto iets weg heeft van Zutphen…