Columns
Eke Mannink
Het was Yacinthe van Van Someren en ten Bosch aan de Turfstraat die haar op mijn pad bracht, de Amerikaanse schrijver Elisabeth Strout. Over literatuur uit de Verenigde Staten weet ik bijzonder weinig. Onlangs had ik met mijn neefje – hij is twintig, studeert filosofie en begint aan een tussenjaar – een gesprek over Walt Whitman, de dichter-journalist die met Leaves of Grass een mijlpaal neerzette. In 1855.
‘Hij schrijft ongelooflijk goed,’ zei neef. Ik vind het mooi als jongeren zulke oude werken lezen, herinnerde me dat in de literatuurlessen vroeger werd verteld dat Whitman zijn regels organisch liet doorlopen, alsof hij de weidsheid van het Amerikaanse landschap wilde nabootsen. Dat herkende neef, die zelf aan de overkant van de oceaan ter wereld kwam.
Terug naar Elisabeth Strout. Op een middag stond ik bij RIjkenhage op de bus te wachten. Ik zat in een periode van zuinig leven. Het was zomer, dat betekent minder projecten, de lopende zzp-facturen waren nog niet betaald, en ik was druk met mijn vrijwilligersproject in Almen. Toen ik op mijn schermpje keek, zag ik dat ik nog veertien minuten had voor de bus kwam. Er pliepte een berichtje binnen: ‘Sorry, eindelijk – we hebben betaald,’ schreef een werkgever. Ik maakte een sprongetje.
In de resterende dertien minuten die ik nog had, sprintte ik op intuïtie naar de Turfstraat, de boekhandel in. Daar heerste een serene sfeer. Een paar klanten liepen het aanbod te inspecteren, twee vrouwen bij de kassa roemden hardop ‘de geur die altijd in boekhandels hangt’. Ik bekeek de boekentips van de medewerkers die voor de etalage hingen. Mijn blik bleef hangen bij Wat ongezegd blijft, een titel die me aansprak.
De naam van Yacinthe stond erbij, ik had geluk dat ze op dat moment ook achter de toonbank stond, en vroeg ernaar. ‘Dat is van Elisabeth Strout,’ vertelde ze, ‘die heeft een boeiende manier van schrijven. Ze weet je subtiel het verhaal in te trekken door kleine, psychologische details. Het is moeilijk te omschrijven, ze creëert een heel eigen wereld. Je kunt er verslaafd aan raken. In dit boek verwijst ze veel naar de ontwikkelingen in Amerika op dit moment.’
Yacinthe was een ware Strout-aanhanger, dat hoorde ik aan haar vurige manier van praten. Haar pleidooi overtuigde me, ik nam het boek mee. Terwijl we afrekenden, vertelde de boekverkoper over de personages Lucie Barton en Olive Kitteridge. Strout schreef er vele boeken over. ‘Stel dat de stijl je bevalt, dan kun je daar mee verder,’ zei Yacinthe.
En hier loop ik, met de dikke Olive Kitteridge onder mijn arm, langs het Twentekanaal. Het is een van de laatste zonnige dagen, zo luidt de voorspelling. Niemand kent ooit iemand, dat is een bewering die Strout in interviews nogal eens te berde brengt. Ze poogt eindeloos om karakters, al schrijvend, zoveel mogelijk te doorgronden. Met mijn hondje, een thermosfles cappuccino én deze zwaarlijvige letters hoop ik me een paar uur vermaken – een eiland in de tijd.
Mede dankzij Yacinthe.