Columns
Eke Mannink
‘De wagen staat bij mijn werk.’
(…)
‘Ja, op de parkeerplaats, zie ik je zo.’
(…)
‘Hoezo niet?’
(…)
‘Maar hij moet toch naar de garage?’
(…)
‘Nou doei schat, tot zo.’
Terwijl ik de mobiel mijn jaszak inschuif, zie ik het pas: een hondje dat ons plots passeert, van linksachter. Het is een frêle beestje, dat aan de staart van mijn hond ruikt. Die heeft niets door, en trippelt verder over de keitjes van het ‘s-Gravenhof.
‘Hi, hi, die heeft niets in de gaten!’
Ik kijk over mijn linkerschouder en zie de mevrouw die bij het hondje hoort.
‘Nee,’ zeg ik, ‘ik ook niet!’
‘We lopen anders al een hele tijd achter jullie,’ gaat de vrouw verder, ‘kijk, nou ziet die van jou het!’
Hazel kijkt inderdaad verbouwereerd achterwaarts, maakt een sprong naar opzij en blijft wat gespannen staan, een mengeling van argwaan en zin om te snuffelen is van haar af te lezen.
‘Dit is een volbloed chihuahua,’ vertelt de mevrouw. ‘Ze doet geen hond kwaad. Alleen English en American Staffords, daar gaat ze tegen tekeer. Ken je die, English en American Staffords?’
Ik knik. Heb het idee dat ik net zo verbouwereerd kijk als mijn hond. ‘Alleen die twee rassen kan ze niet hebben?’ vraag ik, hoewel de mevrouw natuurlijk precies dat net zei.
‘Inderdaad. Dan wordt ze wild en gaat ze blaffen,’ antwoordt ze. ‘Dan laten die honden het wel uit hun kop om dichterbij te komen. En dat was exact mijn bedoeling. Ach, het is allemaal een kwestie van trainen.’
‘Dus u hebt dat zelf zo voor elkaar gekregen?’ hoor ik mezelf vragen.
‘Zeker,’ zegt ze, ‘je kunt alles trainen.’
‘Ook mannen?’ vraag ik.
De mevrouw moet zo hard lachen, dat ze bijna omvalt.
Van de weeromstuit grijns ik ook.
Stappen, sneller dan de onze,
een ademhaling, heel dichtbij.
Op straat loopt een mevrouw
voorbij mijn haast. Een blik opzij
en dan bestaan we voor elkaar,
in een gesprekje, even maar.
En toch is dat waar het om gaat.