Columns

Vrouwendag

De ringen zijn het eerste signaal. Dat ik ze weer om mijn vingers schuif, in de ochtend. Het herstel is ingezet, ik ga de goeie kant weer op. Het is als na de zonnewende; de dagen worden langzaam langer, stukjes licht die het donker breken. Zo voelt het na griep: de koorts zakt, het hoesten wordt rustiger, de energie kruipt terug.

Het ging bijna ongemerkt geleidelijk. De lichte hoofdpijn was hevig voor ik het doorhad, en de moeheid ging in alle delen van de dag zitten. Dan kun je maar beter gaan liggen, je overgeven aan het grote wachten. Er lag een agenda vol bezigheden op het bureau. Ik nam een Strepsil, haalde diep adem, en mailde in één sessie alle afspraken en verplichtingen af. Dat zorgde voor rust. Daar dook ik in.

En dus ook in de griepgolf. Ik ging koppie onder. Slechte slaper als ik ben, kon ik opeens hele dagdelen liggen maffen. Koortsvisioenen slopen de kamer binnen. ‘Veel gemberthee drinken,’ fluisterde ik mezelf toe. ‘En niet vergeten te eten.’

Dat laatste schijnt een mythe te zijn – volgens mijn geliefde, en vele anderen. Ik heb het van m’n vader. Die zei altijd: gewoon goed door blijven eten, dan knap je het snelst op. Maar ik moet toegeven: wanneer je ziek bent, laat je het wel uit je hoofd om een broodje ei te willen, of een bord pasta. Die gemberthee voldoet. Ik kijk uit naar het moment dat ik weer ga uitkijken naar koffie. Die zin in cappuccino, de voorpret, het diepe genieten van de eerste slokken, dat duidt er pas op dat ik écht weer beter ben.

Afijn, ik ben al een heel eind terug. Op de zolder van muzikant Ric Stokes, in de Kuiperstraat. Ric schuift de saxofoon dichterbij, hangt zijn dwarsfluit aan de standaard. Een notitieboek valt open, akkoorden verspreiden zich door de ruimte. Schrijver Christel Don, onder meer bekend van Afstandsmoeders en Klimaatgetto’s, leest een regel hardop, laat de woorden hangen. Haar tekst gaat over vrouwenrechten, sociale ongelijkheid, de kloof die nog altijd gapend is. Ik haak in met gedichten. Honing voor in de thee staat naast me. Samen repeteren we voor de Internationale Vrouwendag, komende zondag in de bibliotheek.

Ric speelt, Christel oefent op een klemtoon. We luisteren naar een strofe die niet meteen valt. ‘Zullen we die regels later zetten?’ vraagt Christel. De ruimte vult zich met klanken en woorden, zorgvuldig afgestemd. Het voelt ritueel, bijna vanzelfsprekend. Langzaam voel ik hoe de energie terugkeert. Niet alleen in mijn lichaam, maar in de hele ruimte.

Tussen het oefenen door denk ik terug aan de griepdagen. Het hoesten, de hoofdpijn, de zere keel, het gerochel, de opkomende koorts in de avond. Alle ingrediënten waren er. ‘Een heftig virusje dit jaar,’ hoorde ik menigeen zeggen. Dat beaam ik. De eerste tekenen van herstel waren klein: de ringen, het verlangen naar het verlangen naar koffie.
Deze middag, met muziek, poëzie en gedeelde focus, voelt als een grotere stap.

Uiteindelijk moet ik naar huis. Mijn geliefde ligt ziek op de bank. Hij heeft griep. Geen mannengriep. De echte. Van mij.