Columns
Eke Mannink
‘Jij nog mayo?’
‘Nee, ik heb nog.’
We zitten aan een frietje met salade. Thuis, in de binnenstad.
In hoofd en hart zijn we allebei nog ergens anders.
We fietsen door de mist. Zijn zojuist de boot afgeslingerd. Een beetje onwennig, met tassen op onze rug, ik onhandig manoeuvrerend met de hond aan de riem. Vanwege haar gaan we traag en het duurt niet lang of we zijn alleen. De andere fietsers zijn ons gepasseerd. De bussen en auto’s zijn vertrokken. Wat rest is grijze mist en vogelgeluiden.
‘Volgens mij is het hier linksaf.’ Met moeite ontcijfert geliefde de te volgen route op zijn schermpje. Ik zie ‘Fietspad’ opdoemen, omdat ik vlak langs de letters fiets. Zoef – weg zijn ze weer, verdwenen in de nevel.
Van het veld rechts – ik vermoed uitgestrekt graslandschap, meer dan de berm ervan kan ik niet ontwaren – klinkt het indringende geluid van scholeksters, zwart-witte vogels met feloranje snavels. Het klinkt steeds feller, ze staan erom bekend veel lawaai te maken om hun territorium te verdedigen.
‘Zijn jullie er nog?’ Vanaf een paar meter verderop hoor ik de stem van mijn geliefde.
‘Ja,’ roep ik, ‘pal achter je. Denk wel dat ze zo moet plassen.’
Krie-ieieie, kriie-ieieieie.
Het gesnerp van de vogels doet de oren van Hazel de hond opveren. Wat zal ze denken? Zal het toenemende gekrijs vooral veroorzaakt worden door haar aanwezigheid? Zal ze zich daarvan bewust zijn? Ik weet het niet, zou er graag achter komen.
‘Ho.’ Met een abrupte beweging breng ik mijn fiets tot stilstand. Onze viervoeter moet inderdaad plassen. Ik laat de riem even los, om wat ruimte te geven. Voor ik het doorheb, is haar silhouet verdwenen.
Krie-ieieie, kriie-ieieieie.
Als ze er maar niet achteraangaat.
Hond meldt zich gedwee bij het stuur.
Tien minuten later slaan we rechtsaf, naar het dorp. De grijze omhulling is er nog altijd. Het gekrijs is afgenomen. Plotseling klinkt een dof klapperend geluid aan onze linkerzijde. Het zwelt aan en het duurt even voor ik het kan thuisbrengen. Het volume neemt zo toe, dat ik van verbazing vergeet te trappen. Hond en ik staan stil op het fietspad. Het geklapper blijkt van vleugelslagen afkomstig te zijn. Een enorme troep ganzen stijgt op, scheert rakelings over onze hoofden en draait rondjes in de lucht, steeds iets hoger. Ik denk aan The Birds van Alfred Hitchcock, laat de associatie meteen weer los. Hier is niets engs aan. Dit is surrealistisch, en indrukwekkend. Gegak alom. Natuur in pure vorm.
Als de vogelkudde een eind verderop cirkelt, kijken geliefde en ik elkaar aan. Daarvoor moeten we onze fietsen allebei een metertje in de richting van de ander trekken.
‘Zag jij ook dat ene andere vogeltje tussen al die ganzen?’ vraagt-ie.
‘Ja!’ knik ik, nog overrompeld door het tafereel. ‘Dat was een zwaluwtje, dat zag ik ook!’
‘Nog patat?’
‘Nee, ik heb genoeg.’
We zitten aan onze eettafel, maar in hoofd en hart zijn we ergens anders. Wat een midweekje waddeneiland doet? Het zorgt voor rust en ruimte, een doorgewaaid lichaam en geest.
En op de bank een voor pampus liggende hond.