Columns
Eke Mannink
De vader van een vriend/collega was op zoek naar een chauffeur. Hij wilde diegene een tijdje in zijn camper laten rijden, zodat hijzelf de hinderlijke tik kon opsporen, die in de cabine klinkt. ‘We gaan de snelweg naar Markelo op,’ zei hij, ‘dan kunnen we daar keren.’
Toen dacht ik nog niet aan Speed.
‘Als je niemand kunt vinden, wil ik het wel doen,’ antwoordde ik. Ik had tuinklussen gepland, maar vind Coen, zo heet de camperaar, een aardige man. Bovendien waardeer ik het dat-ie, als gepensioneerd belastingdeskundige, mijn dochter regelmatig bijstaat. ‘Het is niet voor wat hoort wat, hoor,’ zei hij. Ik schudde mijn hoofd. ‘Misschien vind ik het wel heel leuk om achter het stuur van die enorme bus van jullie te zitten,’ zei ik.
‘Het is de bedoeling dat je snelheid maakt,’ zei hij. ‘Het geluid begint pas rond de vijfentachtig, negentig kilometer per uur.’
Toen dacht ik aan Speed, de actiefilm.
Het was alsof ik werd teruggekatapulteerd naar toen ik vierentwintig was. Ik zag Sandra Bullock zwetend achter het stuur van een passagiersbus zitten, wetend dat ze niet langzamer mocht gaan rijden, omdat dan een bom zou ontploffen. Het is niet het soort film dat ik vaak of graag zie, maar ik herinner me dat Speed een enorme indruk maakte.
Met verende tred liep ik een dag later zo achteloos mogelijk naar de bijna acht meter lange camper, mijn haar à la Bullock wat boller rond mijn oren dirigerend. Ik had me er nog wel even van vergewist of je zo’n gevaarte zomaar mag besturen met een gewoon rijbewijs. Dat mocht.
‘Zal ik het eerste stukje?’ vroeg Coen. ‘Nee hoor,’ zei ik. ‘Laat me maar meteen. Dan kan ik het tempo langzaam opvoeren.’
De hoogte van de chauffeursstoel voelde imposant, net als de lengte die ik monsterde in de zijspiegels. Zes versnellingen zag ik. Mijn hart maakte een sprongetje. Het ging gebeuren.
Met een draai van de sleutel ronkte de motor als een zonnetje. Alsof ik vaker met dit luxe huis op wielen op pad was geweest – zo voelde het al tijdens het indraaien van de tweede bocht. Nauwlettend bleef ik in de linkerspiegel de achterkant van de wagen in de gaten houden, onderwijl mijn aandeel aan de dialoog met Coen op gang houdend.
‘Hij rijdt lekker, hè?’
‘Heerlijk. Veel vloeiender en wendbaarder dan ik had verwacht.’
‘Ja, het is een modern ding.’
We spraken over hun reizen noord- en zuidwaarts. Eenmaal op de snelweg verdween Coen naar achteren, om op zoek te gaan naar dat ene, hinderlijke geluid. Ik dacht aan de bom die Bullock in bedwang moest houden, liet daarna mijn rechtervoet gaan.
Plankgas.