Columns
Eke Mannink
‘Zie je aan juwelen of iemand trouw is?’ Ze leunt voorovergebogen als ze dit aan me vraagt, mijn vriendin. Op haar verzoek had ik een foto van mijn tekenbeet opgezocht.
‘Hoe bedoel je?’ vroeg ik.
‘Ik zag net een plaatje van zes jaar geleden voorbijkomen,’ antwoordt ze. ‘Toen droeg je precies dezelfde ringen.’
Ik begrijp er weinig van, kijk op mijn schermpje, blader terug door de beelden.
‘Die daar!’ Mijn vriendin heeft een scherpe blik, ongelooflijk dat ze in een oogopslag dat jaartal erbij zag staan.
‘Die moest ik naar mijn huisarts sturen,’ zeg ik. ‘Zo kon ze bekijken of ik langs moest komen met mijn duim.’
‘En?’
‘Nee, ze schreef iets voor via de mail.’
‘Je had toen exact dezelfde ring om je wijsvinger,’ gaat vriendin verder. ‘En die andere om je duim. Om je pijnlijke duim, neem ik aan.’
Ik knik.
‘Hee, verrek. En precies hetzelfde armbandje om je pols!’ Ze klinkt verrukt.
Ik moet goed kijken om me ervan te vergewissen of ze gelijk heeft. ‘Maar wel om mijn andere pols,’ zeg ik dan. ‘Het zat rechts, nu zit het links.’ Ik hef mijn pols de lucht in en hoor ook iets triomfantelijks in mijn stem.
‘Zégt dat nou wat?’ mijmert ze, terwijl ze naar haar kop thee grijpt.
‘Volgens mij vooral dat ik voortdurend veranderende sieraden niet zo belangrijk vind,’ mompel ik.’ En dat ik hier nogal aan gehecht ben, misschien.’
Het blijft even stil.
Mijn vriendin denkt na.
‘Dat nieuwe wc-gebouw bij de fluisterboten komt ineens bij me op,’ zegt ze. Zij, die vol verrassingen zit. ‘Je weet wel, vlakbij de oude stadsmuur, waar iedereen altijd foto’s staat te maken. Daar hebben ze van rode baksteen een wc-hok getimmerd…’ Ik knik weer. Herinner me dat mijn dochter me erop wees toen we erlangs reden. Ik zat aan het stuur, had het gemist en vroeg of ze het wat vond. ‘Niet mooi, niet lelijk,’ had ze gezegd. ‘Gewoon.’
Op de sociale media was diezelfde avond een discussie losgebarsten. Veel bewoners van ons stadje hadden hun afschuw uitgesproken. Zo’n historische plek en zo’n foeilelijk, modern bouwsel! De taal was zo krachtig geweest, dat ik diezelfde avond nog was gaan kijken. En inderdaad, het detoneerde nogal, vond ik ook. De standaard toeristenfoto zou voortaan een onvermijdelijke rode vlek in zijn compositie herbergen. Daar was vast het laatste woord nog niet over gezegd.
‘Ik zie niet direct de link met mijn ringen trouwens,’ zeg ik tegen mijn gezelschap.
Ze denkt even na. ‘Nou, die stadsmuur is toch een sieraad voor onze stad?’ poneert ze dan.
Dat kan ik niet ontkennen.
‘Het gemeentebestuur heeft de stad een accessoire opgedrongen in de vorm van dat wc-hok. Iets dat totaal niet past bij de andere elementen in dat stuk van Zutphen. Daarmee is de politiek ontrouw geweest aan de historie van onze stad.’ Ze knikt tevreden terwijl de conclusie uit haar mond rolt, giet de laatste thee naar binnen en zet de mok terug op de terrastafel.
Dan verbreekt ze mijn gepeins.
‘Hoe is het trouwens met die tekenbeet?’