Columns

Schuld

Ik woon ruim twee jaar in Nederland, eerst als asielzoeker, nu als statushouder. Deze jaren zaten vol uitdagingen. De eerste zestien maanden zat ik zonder privacy in een AZC en leerde ik de taal zonder officiële school. Toen ik status kreeg, kon ik starten met lessen op een taalschool en nu, na acht maanden, ben ik bijna klaar met mijn inburgering (B1). Gedurende deze periode zit mijn gezin nog steeds in Syrië. Ik ben hier veilig, heb warmte, elektriciteit, warm water etc. Mijn vrouw en kinderen leven echter nog steeds in onveiligheid. De terroristische overheid valt elke dag minderheden aan. Het is moeilijk om als vrouw alleen in zon patriarchale maatschappij te leven en kinderen groot te brengen.

Ik voel me schuldig omdat ik hier veilig ben, terwijl mijn vrouw en kinderen onveilig zijn en het zonder eerste levensbehoeften moeten doen, zoals genoeg water en elektriciteit. Ik schaam me als ik iets leuks doe, want mijn kinderen kunnen dat niet. Ik schaam me als ik naar een mooie plek ga, want mijn geliefden moeten meestal thuisblijven voor hun eigen veiligheid. Ik ben een enthousiast persoon en ik wil mijn toekomst hier opbouwen. Ik wil iets betekenen voor de Nederlandse maatschappij. Maar hoe kan ik dit volhouden als ik me dag en nacht zorgen maak over mijn gezin? Hoe lang moet ik nog op gezinshereniging wachten? Hoe lang kan ik deze schuld van veiligheid nog dragen?

Hij is jarig vandaag. Tweeënveertig is-ie nu. Ik feliciteer hem, besef tegelijkertijd hoe weinig feestelijk hij zich waarschijnlijk voelt. Mike – dit is zijn christelijke naam, een schuilnaam, hij blijft graag anoniem – kreeg in de zomer van vorig jaar zijn verblijfsvergunning en wacht sindsdien op de hereniging met zijn vrouw en kinderen. Hij staat op een wachtlijst bij de IND, heeft geen idee hoe lang het nog duurt. En dat gaan ze hem ook niet vertellen. Zijn taaldocent, een collega van me, bracht ons samen.

‘Heb je je familie al gesproken?’ vraag ik. Hij schudt zijn hoofd. ‘We gaan vanavond bellen,’ zegt hij. ‘Ik hoop dat ik mijn kinderen leuke dingen kan vertellen.’
Mike lijdt aan epilepsie. Hij en zijn gezin zijn christelijk. ‘We gingen goed om met moslims en andere groeperingen, maar waren altijd op onze hoede. De haat tegen christenen is groot in Syrië. Als kind merkte ik dat al. Wanneer ik tijdens de ramadan een boterham at op straat, werd ik bespuugd.’ Hij studeerde Engelse literatuur en werd vertaler. Via de kerk ontmoette hij zijn toekomstige vrouw. Samen kregen ze een dochter en een zoon. Tijdens de oorlog werd de situatie nijpend. De spanningen namen toe.
Omdat hij ziek is, kon Mike relatief gemakkelijk naar Europa reizen. Hij nam het vliegtuig naar Griekenland. Vanuit de opvang in Athene had hij contact met de Byzantijnse muziekschool aldaar. ‘Ik zing al dertig jaar Grieks-orthodox. Als bariton had ik online contact met de school in Athene. Zij hebben me geholpen.’

Natuurlijk is hij daar blij om. Maar het schuldgevoel knaagt. ‘Het is niet te verteren dat ik hier leuke dingen doe, terwijl mijn vrouw en kinderen bezig zijn met overleven.’

We nemen afscheid. Ik hoop dat hij een zo aangenaam mogelijke verjaardag heeft.