Columns

Robot

Het was waarschijnlijk de laatste tropische dag. De dingen liepen, zoals wel vaker, anders dan gepland. En nogal positief verrassend: dochter kwam langs, en voor we het wisten lagen we in een romantische zwemvijver, met een boomtak en een koord om in te klimmen. Met prachtige rotsblokken om op te zonnen. Met bomen, planten en tintelfris water.
Gelukkig hebben we vrienden die zo’n vijver hebben en het prima vinden wanneer we daar af en toe gebruik van maken.
Uiteindelijk doen we dat veel te weinig, maar goed – vorige week lukte het. Juist het onverwachte, maakte het subliem.
Omdat het ongepland was, moest ik nog wel even aan het werk. Met een van de sprekers op het PoëzieFeest, aankomende tien oktober in Dat Bolwerck – u leest de gehele line up op de voorpagina van deze krant – stond een voorgesprek gepland. Boswachter Arjan Postma, wellicht kent u hem, was aan de lijn. Ik moet eerlijk bekennen dat deze verhalerverteller mij tot nog toe onbekend was. Al na een paar minuten hing ik aan zijn lippen. ‘Ik heb er zin in,’ begon-ie. ‘Ik wil graag praten over de relatie tussen poëzie en het dierenrijk.’ Daarna vertelde Postma in een stroom vol anekdotes en wetenswaardigheden over de grammatica van de Japanse koolmees, internationale liedjes van de bultrug en de manier waarop muizen en ratten op hun rug kunnen rollen van het lachen. ‘Dat is onlangs onderzocht,’ aldus Postma, ‘het is geweldig dat die beestjes elkaar aan het lachen kunnen maken.’

We bespraken wat praktische details over de dag zelf en ik zei hem dat ik enorm uitkijk naar zijn lezing. Dat was geen beleefdheid, dat kwam recht uit mijn hart. Het was overrompelend om te merken hoe boeiend zijn betoog over het dierenrijk is en deze invalshoek, die van taal en poëzie, maakt het voor mij nog aantrekkelijker. ‘Voor mij ook,’ zei de boswachter. ‘Ik reis het land door om overal lezingen te geven, maar deze is voor mijzelf ook spannend. Omdat het weer een andere manier van kijken is.’
Toen ik de telefoon weglegde, ging-ie weer over. Mijn toestel heeft kuren, soms belt-ie vanzelf. Gelukkig contacteerde hij mijn geliefde. Die stond in de supermarkt. ‘Je weet dat ik niet van beeldbellen hou,’ begon-ie, ‘maar in dit geval moet je echt even zien waardoor ik aangevallen word. Het is niet te geloven, wát een irritant ding…’ Er verscheen een camera-icoontje in beeld en voor ik het wist hadden we een zichtbaar lijntje. In een gespleten seconde dacht ik aan een mug, een hond, een bultrug desnoods, maar al snel bleek dat er een robotje om zijn voeten aan het rondsuizen was. Een schoonmaak-robotje.

‘Waar ben je dan?’ vroegen dochter en ik.

Hij bleek in Albert Heijn, en was niet erg gediend van het ding.
‘Stop het in je winkelmand!’ riep ik enthousiast. ‘Precies wat we nodig hebben!’
Mijn onderbewustzijn vertelde me dat minder schoonmaken méér tijd voor poëzie betekende.
Geliefde bleek onvermurwbaar in zijn afkeer van het ding.

Ik kon hem geen ongelijk geven, borg mijn robottelefoon op en besloot nog een plons te nemen.