Columns

Preppen

We zijn per ongeluk op een festivalletje beland, vriendin en ik. Excuus, vriendin, hond en ik – als trio liggen we op een levendig talud, vlakbij de Mexicaanse foodtruck. In Zwolle. Ik voel me een tikkie overjarige hippie tussen al die jonge gezinnetjes. Dat mag de pret niet drukken, we kijken onze ogen uit.

Een jonge moeder verdeelt haar aandacht tussen twee peuters, terwijl vader in de rij staat om drank te bestellen. Het jongetje steelt telkens een hapje van de boterham die zijn jongere zusje in haar hand heeft, zijn moeder probeert hem duidelijk te maken dat dit gedrag moet stoppen. Ze vindt het tegelijkertijd grappig, dat voelt zoonlief haarfijn aan, daarom gaat hij ermee door.
‘Van de week heb ik een gasbrander in huis gehaald,’ zegt vriendin dan. ‘Nu heb ik het hele pakket.’

Ik kijk haar vragend aan, waar heeft ze het over?

‘De noodrantsoenen,’ gaat ze verder. ‘En de spullen die de overheid aanraadt om in huis te hebben.’

We zeggen een tijdje niets. De band bedankt voor het applaus en gaat door met het volgende nummer.

‘Wat heb je allemaal dan?’ vraag ik.

‘Je weet toch wel dat de overheid dat heeft aangeraden?’ zegt ze.

Ik knik. ‘Water en zo, en een radio, voor als de stroom uitvalt,’ zeg ik.
‘Nou, die radio heb ik nog niet,’ antwoordt ze. ‘Dat is het enige. Zoveel mensen hebben een radio, dacht ik, dat komt wel goed.’

Ik luister naar haar en voel opeens minder de festivalvibe. Als het over preppen gaat, huiver ik. Mijn vriendin komt op dreef.

‘Thermodekens, waterfilters, een zak noten….’

Het peutermeisje zet het op een huilen; haar boterham is op. De jonge ouders, die net boven de hoofden van hun kroost geproost hebben, haasten zich om haar te troosten.

‘.. een zaklamp met extra batterijen, kaarsen, lucifers…’

De band neemt al bedankend afscheid om plaats te maken voor een dj.

‘Je moet eigenlijk ook zorgen voor een lijst met telefoonnummers, want je hebt natuurlijk niets meer aan je mobiel als de stroom uitgevallen is.’

‘Heb je die ook al?’ vraag ik.

‘Dat moet ik nog doen,’ antwoordt vriendin. ‘Maar ik ben verder dan jullie, dat is wel duidelijk.’

Ik kan dat alleen maar beamen, en grijp net op tijd in, omdat het peuterbroertje met gespreide armen vervaarlijk dicht langs Hazel komt zeilen, ik wil voorkomen dat de hond schrikt.

‘Ik vraag me af wat de meerwaarde is,’ zeg ik, ‘van zo’n pakket. Dan kun je het een paar dagen of weken uitzingen, en dan, wat moet je dan?’

‘Dan nemen de hulptroepen het over,’ zegt vriendin. ‘Of de noodaggregaten zijn opgestart.’

Alles wat aandacht krijgt, groeit. Ik wil mijn hoofd niet in het zand steken. Maar is het niet zo dat je voorbereiden op een mogelijke oorlog de angst vooral voedt? Dat je voortdurend op je hoede bent, en niet meer kunt genieten van het dagelijks leven? Ik kijk naar mijn vriendin, die naar de hond kijkt, die naar het jongetje kijkt, dat inmiddels met bungelende benen op de stenen rand boven het gras zit. Ze zien er allemaal relaxed en ontspannen uit.
Gelukkig, daar is de vibe weer.