Columns
Eke Mannink
‘Hou op met bang zijn!’ In de Lange Hofstraat trekt een man de riem van zijn hond strak en stuift naar voren. Een groepje gehoofddoekte vrouwen doet een paar extra stappen opzij. ‘Het is verdomme nog een puppy van acht maanden,’ tiert hij verder. ‘Een pup! Hij doet niets!’
Ik voel me geroepen om tussenbeide te springen. ‘Rustig aan meneer,’ zeg ik. ‘Dit is een groep Syrische vrouwen, in hun cultuur hebben dieren een heel andere rol dan bij ons. Veel van hen zijn bang voor honden. Mannen ook trouwens.’
Als ik het had kunnen voorbereiden, had ik het anders verwoord, maar de boodschap lijkt overgekomen. De man trekt zijn viervoeter mee en baant de markt op. Intussen is het groepje vrouwen weer rustig. ‘Viel hoenden,’ zegt een van hen, voorzichtig glimlachend. ‘Noe terug naar school?’
We zijn op excursie naar de mark: Rama, Warda, Samira, Lamya, Alia, Rogia, Rashda, Asil en ik. Zeven Syrische vrouwen, één Irakese, één Nederlandse. De acht anderen spreken Arabisch. In het kader van praktijkonderwijs maak ik ze wegwijs tussen de kramen. Ik had me erop verheugd. Kende de groep nog niet, had me voorbereid op een gang van groenten naar fruit, via brood en koffie naar de stoffen en kleding.
We begonnen in het klaslokaal. Ik vroeg de vrouwen om boodschappenlijstjes te maken. Eien, kiep, kas en vles wilden ze. Ze moesten het goed leren spellen. Dat lukte wonderwel. Waar wilden ze die eieren, de kip, de kaas en het vlees vandaan halen?
‘Naar de Jumbo,’ antwoordde een van hen.
‘Van Liddle,’ zei een ander.
‘Nee, we gaan naar de markt,’ legde de Irakese uit, in het Arabisch.
‘Naar de souk,’ riep iemand.
Ik meende steeds meer enthousiasme te bespeuren en pakte mijn tas.
‘Kom op,’ zei ik, ‘we gaan naar buiten.’
Het was goddelijk weer. We vertoefden aan de rand van een heuse Indian summer. Wanneer je niet te veel nadenkt over klimaatveranderingen en de dreigende toekomst, kun je daar behoorlijk van genieten. Zo ook wij, marktgangers. Zo nu en dan draaiden we onze gezichten naar de zon, om de warmte op onze wangen te voelen. Ongelooflijk, in november.
Het was nog rustig op de Groenmarkt. Bij de hoge kraam wees ik op de zakken met gemengde vruchten. ‘Wat is dit?’ – was de vraag voor de groep. ‘Froet!’ klonk van verschillende kanten. ‘Inderdaad,’ zei ik, ‘fruit. Zo spreek je het uit: frrrruit.’
Onze ui-klank is behoorlijk ingewikkeld wanneer je uit Syrië of Irak komt.
We kochten bitterkoekjes, proefden ze, vonden ze lekker. De bakker deelde zachte speculaas uit, en we spraken over Sinterklaas. Een aantal van de groep veerde op toen we bij de tassenkraam stonden. Nu ik door de ogen van de leerlingen keek, zag ik de markt weer heel anders. Deze handtassen waren me bijvoorbeeld nog nooit opgevallen.
‘Hoeviel?’ vroeg een jonge vrouw, terwijl ze een nep-Gucci omhoog hield. ‘Vraag het zelf maar aan de koopman,’ spoorde ik aan. Ze repeteerde haar vraag hardop en stond op het punt de verkoper aan zijn mouw te trekken… toen de angst in haar ogen verscheen. Ze blokkeerde volledig. Ik keek achterom. Over de markt liep een koningspoedel.