Columns
Eke Mannink
Onlangs was ik op de vrouwenborrel, een club van Zutphense vrouwen die maandelijks bijeen komen. Het is een ‘losse’ verbintenis; je komt als je zin en gelegenheid hebt, aanmelden hoeft niet. ‘Dit hebben we ooit opgericht omdat mannen wel voor zichzelf kunnen zorgen,’ vertelde Ineke van het eerste uur. ‘Het leek ons goed dat vrouwen ook een mogelijkheid tot contact hebben. Nou, dat kan hier.’
Het was mijn derde borrel en ik moet zeggen dat die onderlinge verbinding tot nu toe altijd zindert. Afgelopen maand was mijn lievelingskeer; toen zaten we in de tuin, op het terras dat grenst aan de Bleek.
Binnen ervaarde ik de akoestiek als die van een kippenhok, maar dat kon liggen aan mijn hoofd vol watten. Ik voelde een zomergriepje opkomen en wegens steeds hardnekkiger aanwezige hoofd- en keelpijn lukte het me niet lang te blijven. In de hoek vooraan sprak ik met een paar vakgenoten, die ik onder meer ken van Shut Up & Write, een schrijfgezelschap. Een ervan is Anna Wiersma, die ik ontmoette toen ik stadsdichter was, zo’n twaalf jaar geleden. Ook leerde ik Nelleke kennen, haar zus. Ze was kunstenaar en werkte in een atelier in de Kolenstraat.
Toen ik Anna afgelopen week zag, dacht ik plots aan een dichterlijk optreden van een stel poëten tussen haar zus’ schilderijen. De Kolenstraat is niet voor niets een van mijn favoriete plekken in ons stadje… Behalve de bouwstijl en de knusheid doen ook herinneringen ertoe.
Nelleke leeft niet meer. Toen Anna afgelopen zomer Zutphense dichters vroeg om een gedicht over een litho van haar toen vijf jaar geleden overleden zus te schrijven, kreeg ze er zeven toegestuurd. Ze werden, met de werken van Nelleke, tentoongesteld in een ruimte aan het Kerkhof.
Wat me ontroerde was dat het werk van Nelleke me iets leerde in het klasje waar ik Nederlandse les gaf.
‘Dit is zacht moslimgeel.’
Een leerling uit de werkgroep
taal en maatschappij, die nooit
iets zei, had nu gesproken.
In de les stond kunst centraal,
de werken door lokale ambachts-
lieden, kunstenaars, tot stand
gebracht. Op grote stroken
lagen ze tentoongesteld:
de doeken die de groepsdocent
geselecteerd had uit de canon
van de stad. Ineengedoken
zat de leerling meestal op haar stoel.
Alsof haar hoofddoek en chador,
bescherming vormden tegen alles
óm haar. Als door een wesp gestoken
was ze uit de haar vertrouwde
houding opgeveerd. ‘Dit is zacht
moslimgeel,’ klonk het. ‘Zo mooi.’
Ze zuchtte. Was nog niet uitgesproken.
‘Vrouwen dragen dat,’ zei ze.
Om daarna stil terug te vallen
in de positie die we van haar
kenden. Dat de moslimman verstoken
wordt van geel gewaad, dat zei
ze niet. Ik ging op zoek en vond:
Allah gebiedt de mannen
om geen geel te dragen.