Columns

Kruik

Zo’n tachtig keer had ik het al gedaan: de kruik vullen. Een lange, slangachtige kruik, met een wolletje eromheen. Hij was van de dochter van mijn geliefde, zij had hem bij ons achtergelaten, vond het leuk dat ik er zo van genoot. Zo’n tachtig keer had ik het dus al gedaan, laten het er zevenenzeventig zijn – toen ging het mis.
We hebben een kraan waar instant kokend water uitkomt. Het is lastig om de slangkruik onder de tap te krijgen, al had ik daar inmiddels een beetje handigheid in. Dacht ik. Er zat vaak lucht onderin, en dan bubbelde het water over de rand. Cooker meteen uitdraaien en opnieuw beginnen, was dan het devies. En: het water zo recht mogelijk in de opening mikken.

Hoe dan ook, onlangs ging het fout. Goed fout.
Het luchtprobleem deed zich weer voor, en toen ik met een onhandige draai van de kruik de kraan uit wilde zetten, golfde er een plons kokend water over mijn arm. Dat deed pijn, in een opwelling gooide ik de kruik van me af, waarna een straal water zo’n halve meter de lucht in schoot, om vervolgens op mijn wang te belanden. Dit tafereel voltrok zich in een zogeheten gespleten seconde, terwijl man en kind stonden toe te kijken. Zij kwamen meteen in actie. Ik ook, had inmiddels de normale kraan opengedraaid, en hield mijn arm onder de lauwe straal, terwijl ik met mijn andere hand water naar mijn wang schepte. Op dat moment moest ik aan de Zwitserse jongeren denken, die op oudejaarsavond gewond raakten of omkwamen, tijdens de brand in dat feestcafé. Onvergelijkbaar met wat mij gebeurde, en dit was al zo pijnlijk.
‘Je moet onder de douche,’ zei geliefde. ‘Ja,’ zei dochter, ‘je moet onder de douche.’

Ik ging verwoed door met mijn geschep. ‘Ik wil mijn kleren niet uit,’ hoorde ik mezelf zeggen.

‘Maar je móét onder de douche’ herhaalde mijn gezelschap.

Even later stond ik onder een lauw straaltje dat beide plekken bereikte. Daarna, het was inmiddels tegen middernacht, had geliefde het ziekenhuis aan de lijn. ‘We gaan beeldbellen,’ zei-ie. De verpleegkundige van dienst bekeek de wonden, zo goed en vooral zo kwaad als het ging, onder onze keukenlamp.

Conclusie: naar bed en morgen melden op de eerste hulp. Bij het ochtendlicht schrokken we ons suf. De arm had een flinke wond, maar de wang leek er ernstiger aan toe. Waar was die onschuldig ogende rode streep gebleven? De huid lag open en was onrustig. Onder mijn kin bungelde een enorme blaar, die opgezet was van het vocht.

Lang verhaal kort. Inmiddels zit ik naast geliefde, die van het ziekenhuis naar huis rijdt. Ik heb een nieuwe zalf voorgeschreven gekregen, het voelt als de volgende fase in de wondbehandeling. Ik denk terug aan ons eerste ziekenhuisbezoek, alweer een week geleden. ‘Brandwonden zijn behoorlijk verminkend, hè?’ zei de verpleegkundige, nadat hij me in zich had opgenomen. Ik knikte schaapachtig. Hou er altijd wel van als mensen duidelijk zijn, maar vroeg me tegelijkertijd af of veel patiënten op dat soort opmerkingen zitten te wachten.
‘Het zijn allemaal aardige lui daar, hè,’ zeg ik tegen m’n chauffeur.
Hij knikt instemmend. Op de autoradio Smokey Robinson.
Take a good look at my face… klinkt het.

Nou, liever even niet.