Columns

Kracht

Jolien Plantinga. Ik had over haar gehoord, en gelezen. En nu lag ze plotseling in het publiek. Op het PoëzieFeest in Dat Bolwerck. In eerste instantie herkende ik haar niet. Normaal gesproken neem ik de gastenlijst door, kijk ik wie er komt, zie ik hoeveel namen ik ken, hoeveel niet. Om een of andere reden was dat deze keer niet gelukt, en ik schrok ervan toen ik, net voor aanvang van het feest, twee mensen in de weer zag met een veldbed. Ze zetten het in elkaar terwijl een derde gestalte toekeek vanaf een bank.

Tot 2019 was Plantinga waarnemend huisarts. Daarnaast reisde ze veel. Tijdens een van haar reizen, in Honduras, 2004, liep ze de ziekte van Lyme op door een tekenbeet. Het bleek een heftige infectie, haar gezicht raakte deels verlamd. Ze herstelde redelijk goed.

Als dokter had ze geleerd dat chronische Lyme niet bestond. Dus de gedachte dat ze er jaren later nog last van zou kunnen krijgen, kwam niet bij haar op. Dat was wel het geval. Tijdens een vakantie werd ze doodziek. Ze voelde pijnscheuten in haar hele lijf, die als martelingen voelden.

Eenmaal thuis bleek het Plantinga moeite te kosten de neuroloog te overtuigen dat de Lyme terug was. Pas toen haar bloedwaarden afwijkend bleken, trok hij bij. Ze kreeg antibiotica. In haar boek – Komt een dokter bij de dokter – schrijft de voormalig huisarts dat ze op dat moment ‘flipt’. Ze wéét dat iedereen vooroordelen heeft, dat is in de geneeskunde niet anders. Zelf denkt ze veel na over haar eigen uitoefening van het vak. Juist omdat ze nu aan de patiëntkant beland is, ziet ze in dat zij ook geregeld vanuit onbewuste vooroordelen handelde.

Op de site van Stichting Tekenbeetziekten staat hoe het verder ging. Plantinga: ‘Uiteindelijk ben ik bij een infectiespecialist terechtgekomen en kreeg ik de diagnose hersenontsteking door Lyme. De afgelopen jaren heb ik een paar keer een enorme terugval gehad. Lyme is zo’n grillige ziekte, echt naar. Het tast alle zenuwen in je lijf aan. De ene keer krijg ik mijn arm niet omhoog, de andere keer zak ik door mijn benen of heb ik moeite met praten en slikken. Vandaag heb ik een goede dag, gisteren lag ik de hele dag op de bank, moe en misselijk.’

Afgelopen weekend lag ze dus in ons publiek. We spraken elkaar kort; het was een razend druk programma. We beluisterden een Vlaams pleidooi om koudwatervrees voor poëziebundels te slechten, genoten van een jong cabaretduo dat liefdesliedjes zong, onderling bijzonder professioneel en zoetgevooisd kibbelend, hoorden poëtische woorden van de dichter-van-dienst, hingen aan de lippen van een boswachter die de dichtkunst van het dierenrijk belichtte en keken vol ontzag naar de natuurbeelden van een documentairemaker. Hoe een larve uitgroeit tot libelle … mijn mond viel open van verbazing, en bewondering.

Dat laatste heb ik ook voor de liggende medemens in het publiek. Het getuigt van veerkracht om in zo’n situatie geïnteresseerd te blijven in de wereld om je heen. Van het bijzondere vermogen om, dwars door de pijn heen, de schoonheid van het bestaan te blijven vinden.