Columns
Eke Mannink
Nadat ik brieven voor mijn moeder en tante heb geschreven, lopen hond en ik ons stadje in. Het is wonderbaarlijk vroeg in de ochtend, en al even wonderbaarlijk rustig. Sereen zelfs. Het lijkt op zondag, terwijl het geen zondag is. Dat is het vreemde van het vakantieseizoen: na elven wordt het langzaamaan drukker; overal krioelt wel een groepje toeristen dat ergens naar op zoek is of druk bezig lijkt met het inhaleren van de Zutphense sfeer, al dan niet begeleid door een gids. En vóór dat tijdstip lijkt de stad diep in slaap.
De kaarten gaan op de post in een van de weinige bussen die na de kaalslag zijn overgebleven, aan het ‘s-Gravenhof. Het grote witte muurvlak erboven smeekt om een gedicht. De aanleiding voor de brieven is de aanstaande verjaardag van mijn vader. Het is inmiddels bijna acht jaar geleden dat hij overleed, ik herinner me wat ik in dit hoekje over hem schreef. Met een mijmerend gemoed passeren hond en ik de Vispoorthaven. Ik hoef geen richting aan te geven; de riem trekt als vanzelf naar de IJssel vanaf daar.
We lopen langs de rivier naar de nieuwe brug. Dat heb ik al maanden niet meer gedaan. Dat is een voordeel van thuisblijven in de zomer: je kunt je routines veranderen, omwegen inlassen, morsen met minuten – uren zelfs.
Ter hoogte van het baken waarop een aalscholver zijn vleugels staat te drogen kom ik haar tegen. Een oude bekende, maar waarvan ook alweer? We knikken elkaar gedag. Van de weeromstuit draait ze zich om en loopt met ons mee, voor haar dus terug. ‘Heb je meegekregen dat er iemand overvallen is op het station?’ vraagt ze. Ik schud mijn hoofd, verrast over deze anekdotiek na alle jaren dat we elkaar niet zagen. Dat is voor haar een teken om los te barsten. ‘Er schijnt een klopjacht geweest te zijn. Iemand werd bestolen, een groep mensen ging achter de dief aan. Maar hij is niet gepakt. De politie zoekt getuigen.’
Ik knik, terwijl ik naar haar luister, en fluit Hazel terug, die achter een poedel aanrent. Ze gehoorzaamt zowaar.
‘Jij organiseert toch die feesten met gedichten?’ gaat de bekende onbekende verder. ‘Aan de Zaadmarkt?’ Ik knik weer ‘Het PoëzieFeest,’ zeg ik, ‘dat was anderhalve week geleden in Dat Bolwerck.’
‘Daar heb je niet eens over geschreven,’ klinkt het verwijtend. ‘Na afloop bedoel ik.’
Opeens weet ik weer wie ze is. Ik houd halt. Ben verbaasd dat deze medemoeder met wie ik jaren geleden bijna dagelijks op het schoolplein stond te wachten juist dit tegen me zegt.
‘Houd je van gedichten?’ vraag ik, verheugd.
‘Nou, dat niet,’ is het antwoord, ‘maar ik lees jou en ik had verwacht iets te weten te komen over Hedy d’Ancona. Die was er toch?’
Die was er. En het ijs is gebroken. We staan nog zeker twintig minuten aan het water over het feest en de socialiste te praten.
De teleurgestelde poëzieliefhebbers die me aanspraken dat ze er niet meer in konden – het feest was uitverkocht – beloof ik: er gaat over geschreven worden.
Al tipt dat natuurlijk niet aan de live-ervaring.