Columns

Honderdzes

Twee jongens parkeren hun brommer voor de bibliotheek in ons stadje. Met weinig omhaal van woorden zetten ze hun rijtuig – het is er een – vast aan een fietsenrek. De bestuurder legt zijn helm zorgvuldig in de ruimte onder het zadel, de ander zegt: ‘Deze hier?’ terwijl hij zijn hoofddeksel naast het zadel houdt. Handig klikt zijn collega de klep dicht, zodat de helm van zijn compagnon vastzit met een koord. Met ieder een tas lopen ze in de richting van de ingang.

Ik zit tegen de Broederenkerk, met een kop thee en papieren. Het is Internationale Vrouwendag, ik geniet nog even van de zonnestralen, terwijl ik een stel onwillige versregels in mijn hoofd probeer te stampen.
De Zutphense Soroptimisten, afdeling van een wereldwijde organisatie van vrouwen die zich inzet voor de verbetering van de levens en positie van vrouwen en meisjes, nodigden schrijver Christel Don uit om een lezing te geven. Muzikant Ric Stokes en ik verluchtigen haar woorden, zoals ik vorige week in dit hoekje aankondigde.

Wanneer ik een slok thee neem, verschijnen de jongens weer in mijn ooghoek. Ze bespreken waar ze heen moeten. Een vrouw, die net als ik van het licht en de warmte staat te genieten, spreekt ze aan. ‘Wat zoeken jullie?’ vraagt ze. ‘Kan ik helpen?’

‘We wilden in de bibliotheek studeren,’ antwoorden de jongens. ‘Maar hij is dicht.’

Ze besluiten op zoek te gaan naar een andere openbare studieruimte en laten hun brommer staan. De vrouw ontmoet haar vriendin, ze bespreken de laatste griepperikelen, en gaan de boekentempel in. Ik doe mijn ogen dicht, herhaal het vers nog drie keer in mezelf en besluit dat ik het ken.

Er is nog tijd voor we beginnen. Terwijl van allerlei kanten publiek (vooral vrouwen, hier en daar een man) binnen druppelt – er zijn ruim zestig kaarten verkocht –, gaan mijn gedachten naar de berichten die ik zojuist op de radio hoorde. Israël heeft opnieuw bombardementen uitgevoerd op Teheran, de Iraanse hoofdstad. ‘Het is nog onduidelijk of er slachtoffers zijn,’ las de nieuwslezer. Ik vond dat een ongekend vreemde mededeling. Natuurlijk begrijp ik dat hij bedoelt dat nog onderzocht moet worden wie en wat er door de meest recente bommen werd geraakt. Maar oorlog resulteert in oeverloos veel gedupeerden, aan alle kanten. Geen bom die geen slachtoffers maakt.

Afgelopen week interviewde ik Truus Krijnen, een honderdvijfjarige Zutphense die komende vrijdag honderdzes hoopt te worden. Het gesprek met haar is elders te lezen in deze krant. Een van de eerste dingen die ze zei, was dat ze die dag weer wakker was geworden met het nieuws over de bombardementen. Ze begon over Netanyahu, de Israëlische premier. Terwijl ze over hem sprak, spoten haar ogen vuur. Door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd ze destijds overvallen. ‘Dat zal me niet nog eens overkomen,’ zei ze. ‘Daarom volg ik het nieuws.’
Die uitspraak maakte indruk.

Tien voor half twee, ik moet naar binnen. Terwijl ik opsta, komen de mij inmiddels bekende jongens weer in beeld. Ze lopen terug naar hun brommer. Het is niet gelukt. Ze gaan thuis leren.

Ik hoop dat ze een tuin hebben.