Columns

Gedicht

Het lijken golfplaten, het materiaal waar ‘De Eetketen’ van gemaakt is. Stevige golfplaten. Het gebouw vormt een grote rechthoek, midden op De Mars. Naast de deur die rechts onderaan zit, vallen de klaprozen op. Vurig bloeiende bloemen. Er staat een vrouw met een bezem en blik schoon te maken op de parkeerplaats. ‘Die laat ik staan, hoor,’ zegt ze, wanneer ze ziet dat ik een foto van de bloemen maak. ‘Gelukkig maar,’ lach ik, ‘dat rood is weergaloos.’

Ik heb een afspraak met Trudy. Ze vroeg om een gedicht, voor in het blad dat na de zomer verschijnt, vanwege het twintigjarig bestaan van de Zutphense voedselbank. Ik dacht er even over na, zei vrij snel ‘ja’. Rondom het fenomeen voedselbanken zal bijna iedereen positieve gevoelens hebben. Vermoed ik. Mensen die het goed hebben zorgen dat zij die het moeilijk hebben ondersteund worden – daar zal niemand op tegen zijn. Vroeger, toen de voedselbank in het centrum zat, aan de Groenmarkt, liep ik er weleens langs. Het lokaal, waar nu SuperNatuur zit, oogde grijs en grauw. Naar mijn gevoel was er nauwelijks bedrijvigheid, maar dat zal aan de tijdstippen liggen, waarop ik door het centrum sjouwde. In 2018 verhuisde de instelling naar het industrieterrein. Tijdens diverse dichtpogingen voelde ik me aan alle kanten te kort schieten. ‘Ik moet erheen,’ dacht ik, toen ik voor de zoveelste keer gefrustreerd de dop op mijn vulpen draaide. ‘Om te voelen hoe het daar voelt.’ Trudy reageerde positief. ‘Je bent van harte welkom,’ appte ze, ‘maar dan liever vóórdat de klanten komen.’

Zo komt het dat ik het gebouw binnenloop. In het voorportaal zit een vrouw op haar telefoonscherm te kijken, naast haar een bekertje koffie. Een wachtende klant? Wanneer ik de voedselbank zelf betreed, de binnenruimte van het enorme containergebouw, valt me op dat het veel drukker is dan ik had verwacht. Overal zijn medewerkers in de weer. Achter lange rijen tafels, tussen stellingen, stapels kratten en dozen is het een gekrioel van jewelste. ‘Goedemorgen,’ klinkt het vanachter een tafel, ‘kan ik je helpen?’

Een paar minuten later vind ik Trudy bij de voeding voor de geest: een tafel vol boeken. In een oogopslag zie ik ‘Tips over de overgang’, ‘De mooiste honderd steden van Europa’ en een stapel stripboeken. ‘De bibliotheek levert regelmatig aan,’ vertelt de voedselbankvrijwilliger. ‘Het is geweldig om te zien waar mensen blij van worden. Laatst ging een man weg met een stapel encyclopedieën onder zijn arm, helemaal gelukkig.’
De man achter de uitgebreide hoeveelheid vers fruit en groente legt uit dat er niet altijd zo veel is. ‘We zijn afhankelijk van het aanbod,’ zegt hij, ‘het meeste komt van de veiling.’ Ik kijk naar de dozen vol waterkers, ben aangenaam verrast door de kwaliteit die de producten uitstralen.

Bij het kraampje met menstruatieproducten staan twee vrijwilligers de klanten van de dag af te wachten. De deur gaat bijna open. ‘We zijn met ongeveer honderd,’ vertelt een van hen. We praten over het werk dat ze doen, en hoeveel voldoening dat geeft. Véél. Ik kan het me voorstellen.

Als ik de bank uitloop, zit de wachtruimte vol.
Net als ik, met indrukken.
Genoeg voor een gedicht.