Columns

Gebulder

Tijdens de eerste stop, tussen de counter en de koffieautomaten, hoor ik over Rudolph. Een oud-overbuurvrouw van hem vertelt het me. Rudolph met ph, de zelf uitgeroepen red nosed, de professor Barabas-achtige die een vortex in zijn badkamer had nagebouwd, leeft niet meer. Ik moet het even laten bezinken.
Jaren geleden, voor en tijdens de coronaperiode, was hij een buurtgenoot. Hij woonde in een statig appartement op de hoek van de Bernhardsteeg en de Zaadmarkt. In 2022 verhuisde hij naar de Roggestraat, waar geliefde en ik hem nog een keer bezochten. Het was een bonte avond met lekker eten, drinken en grote verhalen.
Die grote verhalen gingen vaak over een Argentijnse kunstenaar, die niet meer leefde – Rudolphs grote liefde. Zijn keuken en woonkamer stonden vol met kleurrijke doeken van hem. Tijdens de verhuizing hielp ik met het opruimen van zijn zolder. Daar stonden boeiende voorwerpen, de meeste gaf hij weg. Enorme vogelposters gebruiken we sindsdien voor de aankleding van het jaarlijkse PoëzieFeest – sluikreclame: 11 oktober aanstaande is het weer zover! Hij had koffers in soorten en maten. Zijn enorme Samsonite kon mijn dochter nogal bekoren. ‘Neem maar mee!’ riep hij. ‘Gebruik hem voor je reisavonturen!’

We moeten de bus weer in, de bloedhete bus. ‘Luisterden ze maar eens,’ hoor ik iemand mopperen. ‘Elke zomer vraag ik of ze de airco in deze dubbeldekker kunnen verversen… maar nee hoor.’ (…) ‘Dit is toch niet te doen!’
Ik zit op de achterbank, dat is wel vaker mijn plek, als schrijfdocent in het Zwitserse Val Sinestra. Ze plaatsen hun personeel graag helemaal voor- of achterin, is mijn ervaring. Het zit wel lekker, al is het warm. Eigenlijk heb ik te veel ruimte. Mijn dochter en ik zouden samen gaan. De zorgvuldig uitgezochte huis- en hondoppas presteerde het om het een dag voor vertrek af te laten weten… hij moest opeens worden geopereerd. ‘Ik wil jullie niet laten zitten,’ appte hij, ‘en zal er alles aan doen om iemand te vinden.’ Dat wilden we niet. ‘We kunnen Hazel toch niet opschepen met een volstrekte vreemde,’ zei dochterlief. Ik was het ermee eens. We besloten onze trektocht door de bergen, gepland na het creatief schrijven, uit te stellen.
Dus hier zit ik, als een bezetene te werken op mijn laptop. Ik zat zo in een gedicht dat ik de warmte nauwelijks doorhad. Nu daarentegen dringt hij ten volle binnen. En we moeten nog een uur of negen.

‘Van wie is deze bagage?’ wordt van voren geroepen. De vrouw die op de stoelen voor mij is gedoken, veert omhoog. ‘Van mij!’ roept ze, ‘ik zit nu achter.’ Ze snelt naar voren en loopt even later weer terug naar haar gade, achterin, aan de andere kant van het gangpad. ‘Ik kreeg iedereen over me heen,’ zegt ze. ‘We mogen toch wel gaan verzitten, dat komt toch wel vaker voor?’ Het lijkt een retorische vraag.
‘Zalig zijn de simpelen van geest,’ verzucht de echtgenoot, terwijl hij een krentenbol uit een plastic zak probeert te krijgen.

Ik denk aan Rudolph. Zijn lach zou de hele bus wakker schudden.
En hij zou in het midden laten waar-ie nou precies om bulderde.