Columns
Eke Mannink
Tien jaar alweer. ‘Dat heeft ze toch verrekte knap gedaan,’ denk ik af en toe, wanneer ik dezer dagen weer een wit scherm in een berm zie wiegen in de lentewind. Dan denk ik altijd aan Min. Mijn vriendin uit Weesp, die zesentachtig lentes bereikte, en toen omviel. Letterlijk, op haar bank.
Ik was destijds op vakantie in Frankrijk, en had met een vriendin de hele avond geluisterd naar het gezang van een leeuwerik in het dal. De vogel die symbool staat voor vriendschap. Toen kwam het telefoontje uit Nederland.
Dit vers is ter ere van Minny Schenk (1930-2016).
Je viel om in de tijd van het fluitenkruid:
het fijnmazige wit waar je zoveel van hield.
Lief mens, je hebt levens van velen bezield.
Wij zitten erin. Jij bent er nu uit.
Het zal leeg zijn; je was zoveel wijsheid en kracht,
zoveel oog voor detail, zoveel aandacht. Jouw pijn
zag je ook bij de ander, je kon er echt zijn.
‘k Zie je voor me terwijl je luid bulderend lacht.
Want dat kon je, je proestte en hoestte erbij –
om de grap van een kind, om de blik van een hond.
Je zag ze zo graag, liefst ondeugend en vrij.
De last van je lot, van je pijn, je verdriet
was te zien in je ogen en soms om je mond.
Je bleef mensen ontmoeten, je jammerde niet.
Jouw liefde, zo wijds en fijnmazig vertakt
als het fluitenkruid dat langs de slootkanten staat,
dat nu wiegt in de wind en ons straks weer verlaat
zoals jij hebt gedaan. Jouw hier niet meer zijn hakt
een tomeloos gat – een waarin jij verdween.
Het fijnmazige wit komt pas terug in de lente.
Jij zit in mijn hart, jij bent waar je bent en
iedere dag stroom je weer door mij heen.