Columns
Eke Mannink
De première was voor de citroenvlinder, ik zag hem – of haar – in februari. Het eerste oranjetipje van dit jaar vloog langs in maart, het fladderde rakelings over de koppies van onze konijnen, die overigens niet op of om keken. Veel te vroeg, eigenlijk. Maar steeds gewoner. Toen ik op koningsdag, terwijl het toch niet bepaald tropisch aanvoelde, een heuse gehakkelde aurelia waarnam, wist ik het zeker: dit is het moment om terug te gaan in de tijd.
Mijn dochter was de vinder van een vlinder.
Het was haar eerste dode exemplaar.
Ogen vulden zich met tranen: in zes jaar
was ze ontpopt tot groot bewonderaar
van al wat fladdert, vliegt en fluit.
Zoals een kinderdroefheid kan verdwijnen,
kwam zomaar over haar gezicht een glans.
De broze vleugels op haar hand, als in een dans
droeg ze ze voor zich uit. Want de kans
bestond – zo riep ze – dat hij in een boek …
Ze rende naar de kast en met een vaartje,
vrij onstuimig, ze liet het beestje bijna los,
bladerde ze door een vlinderbos
van bladzijden: ‘Een kleine vos!’
riep ze, en: ‘Nee, een atalanta! Een landkaartje…!‘
Het werd steeds lastiger: ‘Is het een koninginnenpage?
Een gehakkelde aurelia?’ De vlinderboeken-etalage
gaf haar een keur aan keus. Mijn dochter telde ieder haartje,
ieder stipje, ieder streepje – er trok een rimpel in haar neus.
De boeken vormden een altaartje rond de vlinder.
Zo twijfelde ze lang en bleef ze zoeken,
gebogen over het insect, aandachtig kijkend
in de letters. Hardop determinerend,
speurend naar welk exemplaar het meest gelijkend
op de échte vlinder in haar leven was.
Kloek een boek dichtslaand, besloot ze, concluderend:
‘Het is een vuilnisbakkenras!’