Columns
Eke Mannink
We klimmen de bus in, dochter en ik. De chauffeur, met een vosachtig bontje op zijn hoofd, is inmiddels een halve bekende van me. ‘Welcome,’ zegt-ie, ‘Vertrek half na negen. Over vijftien minoeten.’ Hij is Italiaan, in dienst van hotel Val Sinestra, een plek die ik in dit hoekje eerder beschreef. Wat me destijds opviel, was dat driekwart van de Zutphenaren dit Zwitserse voormalig kuuroord-in-de-bergen bleek te kennen. Echt overal werd ik erop aangesproken. Bij Odin vertelde iemand dat haar zoon in het hotel werkte. In de Driekant ontmoette ik diezelfde week nog drie fans, twee ervan werkten er bijna iedere zomer, een derde ging er sinds zijn jeugd al naartoe op vakantie. Zomer én winter. En zo ging dat door.
Ik ga weer een cursus creatief schrijven geven. Voor het eerst reist mijn dochter mee die kant op. ‘Maar dan kom ik wel iedere avond bij je op les,’ had ze gezegd. Natuurlijk had ik ja geknikt.
‘Waarom vertrekken we niet uit Zutphen als toch bijna iedereen daarvandaan komt?’ had dochter wijselijk opgemerkt. Deze keer komen de gasten echter uit alle windrichtingen. Sneek, Blokker, Weesp … Station Arnhem blijkt een goed startpunt. Twaalf uur duurt de reis ongeveer, als het meezit. Het is dus zaak om veel letters mee te nemen, en veel lekkers.
Een van de mooie dingen aan het fenomeen Val Sinestra – dat letterlijk ‘linkeroever’ betekent in het Italiaans – is de veelkleurigheid van de gasten. Wat ik nu, in de bus zittend, nog niet weet, is dat er later deze week een bont palet aan cursisten in de prachtige boekenkamer zal plaatsnemen. Waaronder een huisarts, een zorgcoördinator, een clown, een masseur, een fysiotherapeut, een boekenwurm, een paardentrainer (dochter herself). Allemaal komen ze spelen met woorden.
Engadin, het gebied waar het lichtelijk Harry Potter-achtige kasteelhotel staat, is sterk Italiaans beïnvloed. De taal klinkt er zangerig, de huizen ogen robuust en sprookjesachtig tegelijk. De inwoners van Sent, het dorpje in de buurt, zijn aardig op afstand. Ze zullen zich niet snel mengen met de Hollandse enclave, die al sinds de jaren zeventig in de vallei verderop zetelt.
Na een dag op de ski’s, langlauflatten of wandelen zitten we die eerste avond met zijn tienen in de bibliotheek. Kaarsen en sfeervolle lampen aan, de grote kroonluchter is uit. We maken een rondje. Wat wil iedereen leren? Zijn er speciale verzoeken?
‘Ik sta open voor verrassingen.’
‘Ik ook.’
‘Ik schrijf nooit, maar wil het toch proberen. Denk ik.’
‘Graag zou ik willen leren om iets heen te schrijven. Dus zonder het te benoemen.’
‘Ik zoek vooral onderwerpen.’
‘Ik ben nieuwsgierig.’
‘Geen idee wat me te wachten staat. Daarom wil ik dit.’
Een greep uit het begin. Als ik er niet al veel zin in zou hebben, zou ik het er alsnog van krijgen. In een betoverende omgeving, tussen de boeken, met zijn allen werken aan schrijfopdrachten. Met pen en papier. Daarna naar elkaar luisteren en over het geschrevene praten. Nieuwe in- en uitzichten. Soms hele showtjes. Er vaak om lachen. Dampende koppen pepermuntthee erbij. Eén avond gloeiende wijn, van buiten bij het vuur.
Een dochter die een schitterende column en drie haiku’s uit haar mouw schudt.
En de clown blijkt uit Zutphen te komen.
Wat wil een mens nog meer?