Columns

Dit

Het was een dag als andere, bij vlagen. En toch ook weer niet. Op een groot aantal momenten werd ik me er bewust van. Of zei iemand het tegen me. Het was een warme dag, dat waren we inmiddels al aardig gewend. En het zal nog warmer worden; einde van de week is ons door meteorologen zelfs een tropisch record in het vooruitzicht gesteld. Het kan wel achtendertig graden worden of meer. U weet het wellicht: augustus 1944 vestigde Warnsveld een landelijk hitterecord, met 38,6 graden. Dat hebben ze / we – we leven immers in WK-tijden, dan mag je best ‘we’ zeggen – volgehouden tot 25 juli 2019. Het nieuwe Nederlandse record is 39,1 – gemeten in het Brabantse Gilze-Rijen.

Nee, het was niet de hitte die deze dag bijzonder maakte. Het was zijn lengte. Het was de langste dag van het jaar, die we net hebben meegemaakt. Terwijl ik dit stukkie tik, treedt de donkerte in. Een groot deel van de Scandinaviërs ziet het helemaal geen nacht worden. Het is de zomerzonnewende. Het is zomer!
Ik kijk de tafel rond, naar mijn neef, die een paar weken bij ons vertoeft, naar de kinderen van mijn geliefde, die als verrassing kwamen binnenvallen, omdat het naast de langste óók Vaderdag is, naar de hond, die zich uitrekt en opnieuw in slaap valt. En naar mijn lief, die middenin een glansrijk betoog zit over de doelman van de Nederlandse ploeg.

 

Ja, dit is het.

 

We grazen langs de rand van juni,
waar het licht in halmen blijft hangen,
omdat de middag nergens heen hoeft.

Je bukt en plukt een boterbloem,
leest de platgetrapte regels
van een ree die in het gras passeerde.

Alles lijkt gevonden,
tegelijkertijd vergeten:
een roestige sleutel in de berm,
de geur van natte grond onder distels,
het zachte knakken terwijl we lopen.

Grasduinen is misschien
een terloopse vorm van hopen —
niet zoeken naar iets groots,
maar langzaam door de wereld gaan,
zodat je van elk detail
de naam kan leren kennen.