Columns

De laatste

voor de vakantie. Terwijl ik langs de schappen loop ter voorbereiding van de bbq ter gelegenheid van de verjaardag van mijn moeder – ze wordt achtentachtig! –, flitst het door mijn hoofd. De laatste voor de vakantie: waarover wil je dat ik schrijf? Het is een regel uit een vers van de beroemde dichter Martinus Nijhoff. Impasse is de titel. Ik heb er jaren niet aan gedacht, nu dringt het gedicht zich onverwacht op. ‘We stonden in de keuken, zij en ik.’ Zo begint het.

Dit poëtisch hersenspinsel vormt een wonderlijk contrast met het zoeken naar biologische kippendijen en vegetarische snacks. Ik zie overal Blonde d’Aquitaine-vlees. Heb ik nou nooit goed opgelet, of is dit een recente trend? Die prachtige, tarwe-kleurige koeien eet je toch niet op? Waarschijnlijk laat ik me te veel leiden door hun schoonheid en zijn het juist vleeskoeien, althans, heeft de mens dat van ze gemaakt. Mijn vraag is nogal hypocriet: alsof je wél rood- of zwartbont vee zou moeten eten.

Terwijl ik me naar de houtskoolbriketten spoed, is er die andere vraag die in mijn hoofd spookt. Wat doe je als de herinneringen aan een vorig hoofdstuk van je leven in vlammen zijn opgegaan? Recentelijk werd bekend dat een opslagbox langs het spoor in ons stadje tot op de grond is afgefikt. Het nieuws kwam als een flits voorbij, de dag erop vermoed ik, op mijn autoradio. Even schoot door me heen: het zal toch niet…? Toen vergat ik het weer.

… Het was toch zo.

Zo nu en dan reed ik er naartoe om er een paar dingen uit te halen. Het deed altijd pijn. Daarom nam ik veel pauze. Nu denk ik natuurlijk: had ik dat maar niet gedaan. Het stapeltje dozen dat ik hier heb staan voelt nu als kostbare juwelen. Herinneringen aan een tijd die voorbij is. Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij. (J.C. Bloem)

Wat doe je wanneer je tastbare herinneringen aan een afgerond hoofdstuk van je leven zijn verbrand? Dan verbeeld je ze in onstoffelijk materiaal, in flonkeringen. Flonkeringen van het verleden.

Ik wens u een flonkerende vakantie toe.

Vakantie in Frankrijk

sonnetje voor een Aquintaine Blonde

 

Een berg, een dorp en dromerige paden.

Een rund, de loomheid zelve, kauwt op gras.

Een kerkklok tinkelt tijd weg, of het altijd vroeger was.

Ik zie de kudde in het zonlicht baden.

 

Al dagdromend op pad, in vroege uren,

iedere ochtend naar de boulanger

een schuur passerend, steeds met het idee:

waarom toch bouwen wij niet van die schuren?

Het knapperige brood op de weg terug
wordt steeds een stukje korter – ondertussen
zie ik het dal, wat huizen en een brug;

schoonheid in het land van de twee kussen.
De loomheid ligt nog altijd op haar rug.
En van het dak vallen de eerste mussen.