Columns
Eke Mannink
‘Zaterdag? Nee, dan kan ik niet… dan treed ik op in Tivoli-Vredenburg. In Utrecht.’ Een paar keer heb ik dit afgelopen weken gezegd, precies in die woorden. Het liefst had ik het erbij gelaten. Ik vond ze stoer klinken. Blijkbaar kom ik graag stoer over. Maar mensen vragen verder, daarop was geen uitzondering. Helaas, en begrijpelijk.
‘Treed je dáár op?’
Gewoon ja knikken nu. Casual.
‘In die concertzaal?’
‘In Tivoli-Vredenburg ja.,’ zei ik dan. ‘Ik herinner me Tivoli van vroeger… toen het nog op de Oudegracht was. Dat waren andere tijden… wat was dat een gave plek.’ Dan volgden vaak mijmeringen over concerten die mijn gesprekspartner, of ik, daar bezochten. Zo nu en dan een anekdote over de bedompte gang, waar zich avond aan avond een rij wachtende bezoekers vormde, af en toe kwamen er flarden tekst en melodie voorbij, om het beste nummer van een bepaald concert te illustreren.
Maar altijd kwam die ander er dan op terug.
‘Wat ga je precies doen?’
Dan volgde de context.
Afgelopen zaterdag was in Utrecht het congres Gedwongen Afstand. Over excuses van de overheid voor de praktijken rondom binnenlandse afstand en adoptie. Over het erkennen van deze schending van mensenrechten. Vanwege mijn persoonlijke betrokkenheid bij het onderwerp – ik schreef over mijn adoptie – werd ik gevraagd een aantal verzen voor te dragen.
Met de dochter van mijn geliefde – ze studeert journalistiek – drukte ik ’s ochtends even na negenen op de bel van de artiesteningang. Een Tivoli-meisje bracht ons naar de kleedkamer van het Cloud Nine-podium, ergens hoog in de toren. ‘Willen jullie hier even wachten,’ vroeg het meisje, terwijl ze ons binnen liet, ‘we zijn de stage nog aan het opbouwen. De sound check kan daarna.’ We knikten, de ruimte inspecterend. De ouderwetse spiegelbollen aan het plafond, de felgroene bank. We maakten een selfie voor de spiegel.
Een paar uur later declameerde ik mijn verzen op het podium. Ik had ze uit mijn hoofd geleerd, dat was maar goed ook. Voor ik op mocht, waren er huiveringwekkende verhalen aan bod gekomen. Christel Don, schrijver uit Zutphen – van haar is onder meer het boek Afstandsmoeders – had de context in feiten geschetst, daarna was er een gesprek met twee van de moeders. Een van hen had haar zoon vijfenvijftig jaar niet gezien. Begin jaren tachtig had zij via het Fiom, instituut voor afstammingsvragen, geprobeerd haar kind op te sporen. ‘U hebt daartoe geen enkel recht,’ werd haar verteld. Gelukkig ging haar zoon op zoek. Ze zijn nu drie jaar in elkaars leven. ‘Het haalde alle pijn weer naar boven,’ vertelt ze. ‘Maar ik ben zo gelukkig dat ik hem nu ken. Ik zei dat ik zijn adoptieouders graag wilde ontmoeten, dat gaat helaas nooit gebeuren. Hij wil het ze niet vertellen, is bang dat het herstelde contact tussen ons hun dood zou worden.’
Zo is het geheim van de een naar de ander verplaatst.
Toen de dochter van mijn geliefde en ik Tivoli verlieten, moesten we wennen aan het rumoer van de straat. We hadden op een wolk gezeten in Cloud Nine. Een verdrietige wolk, maar ook een aandachtige en een veilige.
Nu waren we weer overgeleverd aan de woeste wereld.