Columns
Eke Mannink
Dennengroen snuivend,
het beekwater verkennend –
raak ik betoverd.
Oplettende lezers – ik lijk Tom Poes wel – weten inmiddels dat ik ons stadje tijdelijk verruild heb voor een oud kuuroord in de Zwitserse bergen. Heel wat Zutphense harten gaan sneller kloppen bij de naam Val Sinestra. Ook deze keer zijn er behoorlijk wat gasten uit m’n eigen omgeving. Zo maakte ik de ‘inloopwandeling’ met een Warnsveldse en iemand uit Zwolle. Ook zijn er vakantiegangers uit Haarlem, Rotterdam, Groningen – eigenlijk heel Nederland is vertegenwoordigd.
Wat ik hier doe? Lesgeven in creatief schrijven. Iedere avond.
De eerste keer werd ik overvallen door de enorme opkomst: vierentwintig gasten wilden de pen creatiever leren hanteren. Slik, die pasten niet allemaal in de knusse, vertrouwde bibliotheek waar ik gewend ben te zitten. We verhuisden naar de knutselkamer en maakten opdrachten geïnspireerd op het licht van Hans Andreus buiten, in de berglucht. Het is ongelooflijk wat schrijven los kan maken. Ook, of misschien wel juist bij mensen die het nooit doen. Een flink aantal cursisten verraste zichzelf. Een trio vriendinnen, gewend om als kwartet naar Val Sinestra te komen, gaf woorden aan het diep doorleven van rouw en het verlangen naar troost. Hun puurheid raakte me.
Ik had verwacht dat ik jullie vanuit Engadine, zo heet het district waar we zitten, een serie anekdotes uit de les zou voorschotelen. Dat pakt anders uit. Het moment van nu voelt urgenter. We zijn op excursie. Een bus heeft een deel van de gasten gedropt in S-charl. Mij ook. Deze vreemde plaatsnaam verwijst naar een oud mijnwerkersdorp, omringd door natuurgebieden. Het reservaat God da Manongur – een wat suggestieve naam– herbergt het hoogste zuivere arvenbos, een soort dennenbos, van Europa. Uit de folder: “Hier kan de natuur zich vrij ontwikkelen, worden geen bomen meer gekapt en blijven dode bomen liggen.” Blijkbaar is dat iets bijzonders in het gereguleerde Zwitserland. In ons eigen landje ken ik steeds meer plekken waar tot deze tactiek wordt overgegaan.
Het bos alhier wordt in stand gehouden door de zogeheten Tannenhäher, een vogelsoort die wij ‘notenkrakers’ noemen. Op de parkeerplaats, toen de bus ons afleverde, bracht een meneer me op de hoogte van het bijzondere evenwicht tussen flora en fauna: door die notenkrakers, kan het arvenbos bestaan en vice versa. ‘Ik had een droomfantasie over de vogels en het bos,’ vertrouwde hij me toe. ‘Het was net een sprookje.’ Ik was er benieuwd naar, maar hij weidde er niet verder over uit. Hopelijk komt-ie vanavond naar de schrijfgroep.
De bergen rondom S-charl zijn wonderschoon. Toen ik mijn voeten net in het kraakheldere water van de beek stak en om me heen keek, sprongen de tranen in mijn ogen.
Ook hier heerst de klimaatcrisis natuurlijk. Gletsjers smelten weg onder de ogen van de omwonenden. Zomers worden heter en natter, de temperatuur schommelt grillig.
Maar het wonder van de natuur is nog altijd voelbaar.
De beste bron voor inspiratie om eens wat creatiever te gaan schrijven.