Stedendriehoek

GOED BEKEKEN | Groene vingers

Het zal niemand verbazen dat columns meer reacties oproepen dan verzen. Gedichten in een column implementeren scheelt een stuk, maar toch – over het algemeen hoor je als columnist beduidend meer terug dan als verzenmaker. De positieve reacties zijn van lezers die iets herkennen, een gevoel willen delen, zich geraakt voelen door een omschrijving of het fijn vinden dat hun onderwerp centraal staat.

De schrijvers van ‘Iemand wees me op de column waarin u …’ zijn over het algemeen niet positief. Inmiddels weet ik: dat zijn degenen die de Goed Bekekens iedere week spellen, van begin tot eind. En wanneer er iets staat dat ze niet zint, willen ze dat kwijt.

Ik krijg er gelukkig niet veel van dat genre, maar vind de exemplaren die mijn mailbox bereiken wel boeiend. Ze doen me denken aan adviesvragers die hun probleemstelling steevast vergezeld laten gaan met: ik vraag dit voor een vriend. ‘Ja, ja …’ zou mijn zoon zeggen. En de veelbetekenende melodie in die twee woordjes spreekt voor zich.

Een tijd geleden kwam er post van een Brummense. Zij las mijn roman Zo stroom ik van je over, herkende zich in de problematiek en is me in columns blijven volgen. Ze heeft groene vingers en kweekt het ene na het andere stekkie op. Het eerste groeistadium van haar planten vindt meestal plaats in een handig gedraaid papieren potje, gemaakt van kranten. Op een van die potjes prijkte per toeval pontificaal mijn hoofd, de krantenpasfoto. De inkt was die week extra oranje uitgevallen, zal je altijd zien.

‘De zonnebloem met jou erop groeit het hardst,’ mailde de lezeres. ‘Daarom heb ik besloten dat jij hem krijgt. En ik heb nog wel een paar andere stekkies voor je, als je wilt.’

Ik wilde wel, groenevingerloos als ik ben.
Een paar weken later zaten we in haar huiskamer, met uitzicht op een weelderige achtertuin met kas en plantenbakken. We bespraken onze levens tot nu toe en ze gaf me na een paar genoeglijke uurtjes met thee en chocola prachtige stekkies mee, of zeg maar liever: stekken. De zonnebloem waarover ze had geschreven was al aardig groot en kreeg een ereplaats op mijn balkon, naast de alle kanten op woekerende courgetteplant, een gewas dat niet kán mislukken.

Wekenlang ging het goed. De zonnebloem schoot de lucht in en oogde gezond en gelukkig. Ik bewaterde hem trouw, harkte af en toe de aarde wat los. Licht, lucht en liefde – dat zal ook wel voor bloemenkinderen gelden, dacht ik.
Toen werd het even heel druk met werk en ik vergat hem een dag. Misschien wel twee. Moe kwam ik op een avond mijn balkon op. Wijntje in de hand, boek onder een arm – ik keek naar mijn plant en was geschokt. Slappe bladeren, de onderste zelfs al vergeeld. Nee! Zelfs een zonnebloem opkweken lukt me niet…

Gelukkig had dochter hem inmiddels al water gegeven. In de loop van de avond trok hij bij, net als ik. Binnenkort verhuist-ie naar een grotere pot. Nu maar hopen dat hij dat overleeft, want ik ben aan hem gehecht.

Metafoor: tuinieren

Hoe verplaatsbaar
zou ik zelf zijn als plant?
Terwijl ik aarde
van de wortels los klop,
blaadjes terug strijk,
weerspannig groen een rukje geef –
stel ik mezelf het antwoord in de vraag:

niet, waarschijnlijk.

Eke Mannink is schrijver & voormalig stadsdichter van Zutphen. Vanuit het hart van de stad houdt ze wat ze ziet poëtisch tegen het licht. Want als je goed kijkt, zie je méér. Iedere week weer.