Stedendriehoek

GOED BEKEKEN | Afzakken

Het was warm. En landelijk atelierweekend. Ik wilde naar Miriam Verbeek met haar vilt en haar vuurwater, naar Edith Meijering om de geheimen achter haar luiken in de Kolenstraat te ontrafelen, naar het duo van Teken-design en zo had ik nog een paar adressen op mijn lijstje. Maar ik zat vol. U kent dat vast; soms krijgt een mens zo veel indrukken, zijn er zo veel of zulke intense gebeurtenissen dat je daarna vol zit. Er moet verwerkt worden, en uitgerust.

Vriend was beneden ons ramenrestaurantje aan het opruimen. Dochter was boven aan het chillen, zoon uithuizig. En ik zat dus vol. Ik zat niet, ik lag. Op het balkon, op het bankje onder de perzikboom. Dat klinkt best idyllisch, dat was het niet. Ik zag de schoonheid niet, van de beginnende vruchten die aan de takken bungelden. Ik had geen oog voor de zonnebloem die bijna letterlijk de hoogte in schoot en hoorde geen vrolijk gekwinkeleer van meesjes, merels en musjes.
Dochter kwam langs met een prangende vraag. ‘Gaan we nog wat doen vandaag?’ Er klonk onrust in door, verlangen naar actie. Ik dacht aan de ateliers en tentoonstellingen die in mijn agenda stonden bij deze datum. En aan hoe ik het mijn plicht vind om als ouder het belang van cultuur door te geven. En ik zuchtte. Ik zat gewoon vol.
‘Is het een idee om de IJssel af te zakken?’ Vriend was bij ons komen zitten, hij had goede herinneringen aan eerdere afzakmomenten.
‘We hebben toch maar één luchtbed?’ zei dochter.
‘Nee hoor,’ zei vriend, ‘ik weet er zo een paar te vinden.’
We vonden het alle drie een aanlokkende gedachte om ons mee te laten nemen door de stroom. Ik denk dat we alle drie onze eigen motieven hadden, maar dat maakte niet uit. Een gezamenlijk onderschreven plan stemde me al blijer, maakte dat er luchtbellen in de volheid stroomden.
Zo kwam het dat we een goed uur later het water instapten. Ieder met zijn eigen bedje, ieder met zijn eigen motief. We keken elkaar aan en gaven ons daarna over aan de wetten van de rivier. De oevers snelden aan weerszijden langs, gebeier van het carillon in de Wijnhuistoren mengde zich met het geklots van golfjes. We dreven langs de flats bij het gemaal. De aanblik van een met zijn waslijn worstelende man onder een oranje zonnescherm deed me denken aan een vers van Willem Wilmink. Het volle gevoel verdween. Hoe stroomafwaartser, hoe leger – zogezegd. Klaar om me opnieuw te vullen.

De meeste treinen rijden achterlangs het leven.
Je ziet een schuurtje met een fiets ertegenaan.
Een kleine jongen is nog op, hij mag nog even.
Je ziet een keukendeur een eindje openstaan.
Als je maar niet door deze trein werd voortgedreven,
zou je daar zonder meer naar binnen kunnen gaan. 

Zodra de schemer was gedaald,
was je niet langer meer verdwaald. 

(…)

Willem Wilmink, fragment uit: Achterlangs

Eke Mannink is schrijver & voormalig stadsdichter van Zutphen. Vanuit het hart van de stad houdt ze wat ze ziet poëtisch tegen het licht. Want als je goed kijkt, zie je méér. Iedere week weer.