Columns
Peter van den Boom
Ik draaide de parkeerplaats op van het kerkhof in de kleine gemeente in de Randstad waar mijn ouders hun laatste rustplaats hebben gekregen. Dat dat hier zou zijn was geen verrassing. Hun keuze voor deze plek lag al jaren voordat het er van zou komen vast. De begraafplaats is best groot, de bijbehorende parkeerplaats is ook ruim bemeten, maar er staan zelden meer dan twee auto’s. De doden bezoeken is geen populaire bezigheid, zeker niet op warme en zonnige dagen. In de enige andere auto die er stond geparkeerd zat een jonge vrouw op de bijrijdersplek de tijd te doden op haar mobiel. Blijkbaar wilde ze dit keer niet verder mee of was ze voortijdig uitgekeken geraakt op die onbeweeglijke rijen grijze marmeren stenen.
De reden dat ik hier zo weinig kom, bedacht ik terwijl ik naar de ingang liep, is het schuldgevoel dat altijd precies op deze plek, tussen auto en entree, oppopt en dat zijn oorsprong vindt in het feit dat ik hier weinig, altijd te weinig, mijn gezicht laat zien. Maar tegenover wie zou ik me eigenlijk schuldig moeten voelen, kun je ertegenin brengen. Er is hier niemand die me mijn afwezigheid kwalijk kan nemen. Trouwens, als je wel vaker komt, wie doe je daar dan een lol mee? De desolate parkeervlakte leek het hardgrondig met die laatste gedachte eens te zijn. Gesterkt stond ik even later voor de keurige steen van het familiegraf. Sinds mijn vorige bezoek leek er hier niets veranderd. Nog steeds stonden dezelfde bekende achternamen op de stenen rondom. Ergens onzichtbaar achter mij ronkte als vanouds en zeer luid de snelweg die ze zo vaak hadden genomen. Voor me ruiste de bekende bomenrij. Vanuit een opgeschoten struik begeleidde een merel het tafereel muzikaal. Ongeduldig wachtte ik op een diepere gedachte, iets dat me met deze plek zou kunnen verbinden, betekenis zou kunnen geven aan mijn bezoek. Maar die kwam niet. Wel vloog de merel plotseling weg. Eenmaal weer terug bij de auto overheerste, enigszins verrassend, toch een tevreden gevoel. En omdat mijn bijrijdersstoel leeg was, kon dat best met me mee terugrijden.