Columns
Peter van den Boom
We komen graag in ’s-Hertogenbosch, gelukkig mogen we ook Den Bosch zeggen. Eén keer per jaar toch wel, eigenlijk veel te weinig. De combinatie van een buitengewoon fraai bewaard gebleven binnenstad met nauwelijks zwakke plekken, de majestueuze St. Jan basiliek, dat goedmoedige maar niet te missen middelpunt van alles en dan die bourgondische levensstijl van de Bosschenaren die alles in het leven net effe iets lichter doet lijken, is in onze ogen uniek en onweerstaanbaar. Zullen we dan maar in Den Bosch gaan wonen? Dat roepen we elkaar zo vaak toe dat het een mantra is geworden. Als we weer eens door een nog niet eerder bezocht middeleeuws straatje dwalen dat sinds 1700 niet veranderd lijkt. Of een onontdekt koffietentje of eethuis binnen stiefelen waar we ons direct thuis voelen. Hier hangt iets magisch in de lucht; in de zonder uitzondering verzorgde winkels of in Museum Kruithuis waar we de niet te stuiten enthousiaste woordenstroom van gids André met een glimlach ondergaan. Vraag ons gerust iets over het beleg en inname van de stad in 1629 tijdens de Tachtigjarige Oorlog door Frederik Hendrik. De Spanjaarden bliezen nadien noodgedwongen de aftocht. Maar of het ook een bevrijding was? Zijn de katholieken hier nog steeds niet over uit.
Natuurlijk is de magie ook aanwezig in de St. Jan, dat spreekt vanzelf. Maar nu het geloof aan een nooit meer verwachte revival lijkt te zijn begonnen al helemaal. Een vrij toegankelijke opwekkingsbijeenkomst op zaterdagavond. Een podium met gospelachtige muziek, dansende zangeressen, een ledscherm met enthousiasmerende teksten en beelden van bezoekers die Jezus hebben gevonden en zich onder luid gejuich laten dopen. Ook verrassend veel jong publiek dat zich al klappend en zingend laat meeslepen. Of ten minste dan hun smartphones, die elke seconde vastleggen. Thuis kijken ze dan wel bij welke religie ze zich hebben aangesloten.
Voor café de Basiliek stond al om 11 uur ‘s ochtends een rij boerenkielen en rood-wit-gele shawls en dat is ‘s avonds heus niet anders. Met carnaval kun je niet vroeg genoeg beginnen, en nu zijn de Oeteldonkers nog gemoedelijk onder elkaar, straks wordt de stad weer onvermijdelijk overlopen door luidruchtige Randstedelingen in een bananenpak, al wil de burgemeester daar graag vanaf. Wij zijn inmiddels weer thuis, maar komen zeker terug. We zullen ons gedragen, burgemeester, dat beloven we plechtig.