Columns

(H)EINDELIJK

‘Dus jij denkt,’ begint de rooie kater met opgetrokken wenkbrauw, ‘dat jij het grote paard pardoes kan vervangen?’
De dieren zitten in een kring, de rooie kater is feller dan we hem kennen. Hij is dapper maar zachtmoedig, nu zit boos hem in de weg.
Alle kraaloogjes zijn op de nieuwe kleine pony gericht. Hij is roodbruin, baard en dikke beentjes. Bijna vier maand oud, dat zijn al gauw 120 nachtjes.
Het schaap antwoordt nog voor de pony iets uitbrengen kan.
‘Dat kan namelijk niet zomaar. Het grote paard was onze vriend. En jij,’ en hij ademt een keer diep in, ‘bent dat niet. Wij weten niet goed wat jij hier doet.’
De bruinrode pony krijgt wateroogjes. Het is windstil, er vliegt een ooievaar over.
Ik geef hem een bemoedigend knikje, maar het kleine dikke vachtje wordt met de minuut doffer.
‘Nou,’ begint de zwarte koe, lief maar niet snugger, ‘hij kan er natuurlijk ook niks aan doen dat het grote paard er niet meer is.’
De rooie kater geeft hem een lel langs zijn staart. ‘Dag mag je niet zeggen.’
De koe kruipt ineen en de egel steekt zijn neus in de wind.
‘Hoe heet jij eigenlijk?’
‘Heintje,’ fluistert de pony.
‘Nou, Heintje,’ gaat de egel verder, ‘je moet het zo zien: wij missen het grote paard heel erg en jij bent nieuw. Maar je gaat het grote paard niet vervangen, als je dat soms denkt.’
Het roodbruine Heintje begint te sniffen. ‘Maar dat wil ik ook helemaal niet. Ik ben Heintje, bijna 120 dagen oud.’
De twee schapen schuifelen dichterbij en gaan elk aan één kant van de roodbruine pony zitten.
‘Voor ons hoor je erbij, Hein. Wij zijn Johan en Piet.’
De rooie kater kijkt fel en de zwarte koe staat op. De kater heet Karel en zo ziet hij er ook uit.
‘Karel, jongen,’ begint het rund, ‘Hein vervangt het grote paard niet. Niemand doet dat. Gelukkig maar, want van Frits was er maar één.’
De rooie kater kijkt twijfelend Hein’s kant op. ‘Oké. Je mag onze vriend zijn. Maar we houden nog niet van je.’
Heintje zucht en glimlacht. ‘Ik wel hoor,’ fluister ik heel zachtjes.