Columns
Eke Mannink
Op Bevrijdingsdag 2025 werden we wakker met het nieuws dat het Israëlische kabinet heeft ingestemd met de uitbreiding van de oorlog. De uitbreiding van een oorlog; het lijkt wel of het om een dakkapel gaat. Door de taal die gebruikt wordt, in kranten, op radio en televisie, op straat en in huiskamers, krijg ik soms het gevoel dat we worden klaargestoomd voor een oorlog. Vroeger was dit geen uitdrukking: de uitbreiding van een oorlog. Men ging door met oorlog voeren, met genocide, met uitmoorden – of men stopte ermee.
In onze jeugd – we worden oude lullen – was het nog mogelijk om hoop te hebben. Waar haal je het in deze tijd vandaan? Het klimaat blijkt volkomen naar de klote. President Trump tekende vorige maand een decreet dat diepzeemijnbouw stimuleert. De nieuwste documentaire van David Attenborough schijnt op spectaculaire wijze duidelijk te maken hoe kolossale vissersschepen de zeebodems afschrapen en in geruïneerde toestand achterlaten. Hun sporen bestaan uit kilometers levenloze repen bodem. De laatste paar minuten benadrukt de inmiddels 99-jarige documentairemaker dat er toch nog hoop is. Maar bij wie? En hoe dan?
Het politiek toneel maakt het er niet beter op. Lokaal én op grote schaal. De discussies over het dienstencentrum voor asielzoekers dat waarschijnlijk gebouwd gaat worden op een bedrijventerrein in onze gemeente liegen er niet om. Vooral in de zogeheten sociale media gaat het er hard aan toe.
Afgelopen week gaf de minister van Buitenlandse Zaken, Caspar Veldkamp, aan dat het kabinet ‘een streep in het zand trekt’ wat betreft de rol van Israël in Gaza. Wat hebben de bewoners, die compleet afgesloten zijn van water, voedsel, elektriciteit en brandstof, daar aan een Nederlandse streep in het zand?
Toch. Ondanks alles. Soms voel ik iets wat verdacht veel op hoop lijkt. Als hond en ik op zondagochtend meneer Post van het Oude Bornhof tegenkomen, die systematisch afval van feestgangers uit de binnenstad opruimt en dat heel gewoon vindt. Als een schooljuf met haar groep langs de gedichten op de gevels sjouwt, ze stuk voor stuk voorleest en erover praat. Wanneer een kleindochter haar oma in haar rolstoel voortduwt en honderduit kwettert over een schoolreisje. Het zijn kleine gebaren, alledaagse zinnen, maar ze spreken een taal die niet is besmet.
Radiomaker Frits Spits deed onlangs een oproep in dagblad Trouw. Hij nodigde uit om mee te doen aan de Beweging van Schoonheid. ‘Ik trek een imaginaire doorwaadbare wand van water op. Als u ook die schoonheid najaagt, dan mag u er doorheen lopen. Alle onmacht spoelt dan van u af.’
Misschien is dat het: hoop zit in taal. En niet in de grote woorden van beleidsmakers of de dreigende zinnen van de geopolitiek, veel meer in de kleinigheden. In woorden als hier, kom, kijk. Woorden die niet willen overreden, maar uitnodigen. Die doen verwonderen. Taal die niet vastpint, maar opent naar vergezichten, verbinding en schoonheid.
Ik hoop dat Spits overladen wordt met brieven. En, in het kader van dat laatste heeft hij zijn naam nogal mee, vanuit dit hoekje bedank ik meneer Post. Voor het doen opflakkeren van hoop.