Columns
Eke Mannink
Buurvrouw en ik liepen gisteren met onze honden door het bos van Voorstonden. Zij was er nog niet eerder geweest, ik kende het van vroeger. ‘Kijk,’ wees ik. ‘Hier schaatsten we.’ De vijver was aan onze rechterzijde verschenen. ‘Wat mooi!’ riep ze uit. ‘Dit is een aangelegd bos, maar wel heel mooi!’ Ik was het met haar eens. In theorie houd ik niet van parkbossen, en dit was er een. In de praktijk voelt het goed om er te wandelen. Ook de honden voelden zich senang.
Vandaag wandel ik solo. En wel langs de Zuidwijken, in de richting van de IJsseldijk. Het ‘hondenlosloopgebied’, aangegeven door een bordje, eindigt vlak nadat het begon. Verderop zie ik alweer een volgend bord. Riem aan, riem af, et cetera.
‘Whieaieieiew.’ Een schelle roep vanaf een boomtak. Ik tuur en ontdek een Vlaamse gaai. Een prachtige vogel, zijn blauw/grijs-zwart/witte verenkleed valt op. Met felle ogen tuurt-ie naar beneden. Ik denk dat hondje Hazel zijn roep uitlokt.’Whieaaaaaaie, wees op je hoede!’ – zo klinkt het. Een beetje als een ekster, die ik warempel een paar meter verderop over het pad zie scheren.
Op weg naar de IJssel komen we nog een duif, een roodborst en een tweede ekster tegen. Ik denk dat ik onbewust beïnvloed ben door het nationaal vogeltelweekend van een paar weken geleden. Het is in mijn systeem blijven zitten. ‘Is dat nou dezelfde ekster, of telt-ie echt voor twee?’ is de vraag die retorisch door mijn hoofd dwaalt.
Terug naar Voorstonden. Toen buuf en ik, begeleid door onze viervoeters, een tijd gelopen hadden, passeerden we een stammenstel waar een diepe verbondenheid vanaf straalde. Een beuk en een eik. Een eik en een beuk. Twee in elkaar verstrengelde bomen. Ooit hoorde ik een boomspecialist praten over een vergelijkbaar paar in Oosterbeek. Die zag het stel niet bepaald als symbool van liefde, maar juist van oorlog. ‘Beuken vormen concurrentie voor eiken,’ zei hij. ‘Ze groeien beter in de schaduw en zijn sneller. Zo kunnen ze de langzaam groeiende eiken inhalen en vervolgens verstikken.’
Nu ik langs de buitenwijken van mijn eigen stadje loop, komen de woorden van de bomenman bovendrijven. Gisteren zag ik gelukkig alleen maar hoe innig de verstrengeling was, hoe de verbondenheid zicht- en bijna voelbaar was. ‘Het is bijna Valentijnsdag,’ zei ik tegen de buurvrouw. ‘Ik neem even een foto.’
Een mogelijke dreiging van oorlog wil je niet overal zien en kun je niet constant voelen. Dan word je gek.