Columns
Eke Mannink
Er zitten mensjes in mijn wang. Kleine poppetjes die aan het werk zijn. Ze schrapen, schuren, trekken recht. Ze schrobben schoon en spannen aan. Vorige week schreef ik in dit hoekje over een ongelukkig kruikincident mijnerzijds. Het vullen ging mis. Kokend water kolkte over, raakte mijn arm, daarna mijn gezicht. Omdat ik vreesde nog maanden – en misschien wel altijd – met de zichtbare gevolgen ervan rond te lopen op mijn rechterwang, dacht ik: even uitleggen wat er gebeurd is, dan hoef ik dat op straat niet steeds te doen.
Sindsdien heb ik veel berichten gekregen – dank voor de steunbetuigingen, ze hielpen! – en verhalen van mensen die zichzelf minstens even onhandig vinden. Over vingertoppen in de staafmixer, snelkookpan-ongelukken en lekkende kruikzakken.
Ik heb geluk. Sinds het gebeurde heerst bedrijvigheid op de betreffende plekken. Herstelwerkzaamheden. Op mijn arm heeft zich een korst gevormd, in mijn wang is het, zoals gezegd, een drukte van belang. ‘Het voelt een beetje als de mannetjes uit die grote stationsklok,’ zei ik tegen mijn geliefde, ‘je weet wel, die ook op Schiphol hangt.’
‘Die van Maarten Baas!’ riep hij meteen. We hadden het er eerder over gehad. We vinden allebei het werk van deze Nederlandse vormgever/kunstenaar interessant. Baas werd bekend bij een groot publiek met die klok, waarin poppetjes de minutenwijzer telkens uitwissen, om weer een nieuwe te tekenen.
Zowel geliefde als ik hadden een wijzerplaat met kleine, bezige baasjes voor ogen. Toen ik de klok in digitaal opzocht, zag ik dat telkens maar één mannetje in een blauwe overall de actie uitvoerde. Hoe ik ook zocht en doorklikte, een klok met nijvere poppetjes was nergens te vinden. Interessant, vonden we beiden, hoe het kan dat je allebei iets onthoudt dat er nooit was.
Het doet me denken aan het vers waarmee de Zutphense Tim Pardijs onlangs een prestigieuze poëzieprijs in België won, ‘Stof’ getiteld. Het is een weergaloos gedicht. De ik-figuur is op zoek naar een gouden ring in een stofzuigerzak. Hij vindt hem niet.
(…) Wel huid, haar,
schimmel, zand en veren. Ik boetseer
er een kind van, een jongen, geliefde, vader.
Geweldig slot. De verbeelding aan de macht. Het gegeven dat iets dat gerelateerd is aan een huishoudelijke taak tot dergelijke poëtische beelden kan leiden, vind ik mooi.
Ik denk terug aan de schrobbende, boenende en lijnen trekkende mensfiguurtjes in de klok van Maarten Baas, op hetzelfde moment word ik me weer bewust van het gepriegel in mijn wang. Het menselijk lichaam is een wonder. Ik wist het al, maar ben door mijn onhandige actie en de gevolgen daarvan opnieuw overtuigd.
Een wonder waarin we mogen wonen.