Columns

Oeverloos

Zutphen is méér dan de middeleeuwse binnenstad. Dat is wat burgemeester Wimar Jaeger verkondigde op de vierde verdieping van Het Koelhuis afgelopen vrijdag. Het gebouw, van oorsprong een opslagplek voor bederfelijke waar als boter, vlees en fruit, is onder de bezielende leiding van het duo Bert en Mieke uitgegroeid tot een ware evenementenlocatie. Om te vieren dat de derde verdieping ingericht is, en het dakpaviljoen geopend, zat een select gezelschap op de nieuwe, vierde, etage. Ik was er enigszins per ongeluk beland.

Al weken wilden Brigiet Bluiminck, onder meer van het monumenten-magazine Zutphense Pracht, en ik een wijntje drinken samen. Dat lukte maar niet. Toen ik een keer tijd had, had zij dit al gepland. ‘We kunnen ook samen gaan,’ appte ze. Dat deden we.
Wat ik gaaf vond, is dat ‘de slopers’ vooraan zaten, de mannen van Slijkhuis Sloop- en Grondwerken uit Voorst. Een paar van hun collega’s stonden juist achteraan, bij de tafel met hapjes. ‘Kom ook lekker vooraan zitten,’ probeerde presentator Eva Schuurman. Maar die bouwvakkers bleven liever staan.

Na een vermakelijk program, met prachtige zang van gitarist/vocalist Marise den Bakker en poëtische teksten van Schuurman, werden we als publiekje in tweeën gesplitst. Onze helft liep met Mieke mee. ‘Om te zien wat er allemaal kan in dit nieuwe deel van het gebouw.’

Verrassend was het. Brigiet en ik stonden oog in oog met een moderne goochelaar. Hij schudde tovertrucs uit de mouwen van zijn jasje, combineerde dat met een modern betoog over de almaar transformerende mens en verblufte het publiek door de naam van een van ons uit een dichte envelop in zijn portefeuille te halen.
‘Hoe dóét-ie dat?’ We stonden paf.

Act twee was een verdieping naar beneden, waar we eerst even nieuwe vergaderkamers konden bewonderen. De sfeer: robuust, industrieel en toch gezellig. In de grote zaal stond een man klaar met zesentwintig witte ballen, iets groter dan het pingpongformaat. Voorzichtig liet hij de bal die op zijn hoofd lag van zich afglijden en een weergaloze show begon. Hij gooide met, danste onder, stapte op zijn alfabet aan ballen alsof het niets was. Virtuoos, met een haast bovennatuurlijke souplesse weefde hij een levend patroon van witte rondjes in de lucht. Zijn show was de opmaat naar het festival Oeverloos dat diezelfde avond zou openen in Het Koelhuis.

Tijdens een verrassingsact werden twee vriendinnen getrouwd – een trouwerij kan dus in Het Koelhuis, dat u het weet – en even later zaten Brigiet en ik in herfstige zon op een richel van het dakterras. Eindelijk met ons wijntje. We praatten over Ierland, guilty pleasures, relaties, monumenten. Welbeschouwd was ons gesprek tamelijk oeverloos.
Omringd door nieuwe gebouwen, met een glimp op de IJssel.
We zagen de burgemeester lang blijven hangen bij de gastvrouw en -heer. Een goed teken, vonden we. Brigiet zei nog: ‘Misschien wel leuk om je column hieraan te wijden.’
Meestal geen mijn nekharen dan van weerstand recht overeind staan en doe ik dat vooral niet.

Maar oeps, nu heb ik het toch gedaan.