Columns

Geest

Genius loci. Ik moet aan de term denken terwijl ik net ben aangeschoven. Hazel de hond is aan mijn voeten gaan liggen. Het is gezellig druk in de ruimte. Mensen praten, eten en drinken. Genius loci, de geest van de plek. In de Romeinse mythologie verwezen de woorden naar een beschermgod of -geest van een specifieke locatie. Vandaag de dag gebruiken we ze vooral om het unieke karakter van een gebouw, landschap of stad te beschrijven. Of van een ruimte dus, zoals hier.

 

We zijn Bij Tijm, aan de Laarstraat. Eindelijk. Eerder waagde ik twee pogingen, en telkens zat de zaak vol. Onlangs ontving ik een appbericht. ‘Beste lezer,  Graag laten wij jullie weten dat wij op 3 februari een nieuw lunchcafé hebben geopend in de binnenstad van Zutphen. Bij Tijm is opgezet door broer Tije (19) en zus Merijn (23) en richt zich op biologisch en lokaal eten en drinken (…)’
Nu ik er live ben, begrijp ik dat Tije inmiddels twintig is. Hij vertelt hoe hij en zijn zus vorig jaar acht maanden in een camper door Europa zijn getrokken. Het was een geweldige reis, waarin vooral Noorwegen diepe indruk gemaakt had. Wat daarna te doen? Tije: ‘We hebben allebei een paar maanden gewerkt, en dachten intussen na over wat we echt wilden. Ik ben van nature nogal een ondernemer. Mijn zus is goed in de keuken. Altijd al, zij maakt van alles iets lekkers.’

 

Ook Merijn komt even aan tafel zitten. We praten over reizen en inspiratie, over voedselbossen en lokale producten, over jong zijn en vergunningprocedures. ‘Maar wat wil je eten?’ vraagt Tije. ‘Je hebt toch nog niet geluncht?’

Voor ik het weet, staat er een geitenkaassalade op tafel, met rode biet, sinaasappel, walnoot en balsamico. Terwijl ik een vork pak, denk ik aan al die dingen waarover ik me had voorgenomen te schrijven. De ooievaar die onlangs neerstreek in een tuin in Warnsveld, waar de bewoner zich zorgen maakt of de buizerd uit in de buurt geen gevaar vormt voor het nest dat in de maak is. De glazen paaseieren die kunstenaar David Beliën ook dit jaar weer her en der verstopt heeft. Of de nieuwe monumenten die gemeente Zutphen onlangs aanwees. Een ervan is het Abersonplein voor Den Bouw, waar mijn goeie kennis Truus woont, die onlangs 106 werd. Het plein, met de bijbehorende fontein, wordt daarmee erkend als ‘een uniek, beeldbepalend element van historisch straatmeubilair’.

 

Tijdens de eerste hap ben ik al deze onderwerpen vergeten. Ik versmelt met de omgeving, terwijl ik de knisperende salade proef. Verderop aan tafel werkt een man aan zijn laptop, een moeder en dochter lunchen, een vriendengroep drinkt koffie. De akoestiek is helder en gedempt tegelijk. De deur zwaait open en een jong stel wandelt naar binnen, Maxi-Cosi aan de arm. Moeder geeft een ingepakt wolletje behoedzaam aan vader, ze gaan aan het tafeltje naast me zitten.

‘Hoeveel weken?’ vraag ik, op het bolletje wol wijzend.

‘Twaalf dagen!’ De ogen van de jonge mensen stralen bij het antwoord.

‘Wow… twaalf dagen!’ echo ik, onder de indruk.

‘Het is mijn eerste uitje,’ zegt de moeder.

Ik snap de keuze.

 

De geest van deze plek is goed, dat durf ik te stellen.