Columns
Eke Mannink
Het zinderde zaterdag in Zutphen. De septemberzon scheen vriendelijk, iedereen keek blij. Her en der in de binnenstad waren straatoptredens. Als voorbode van de Popronde de dag erop swingde (swong?) een band op de Houtmarkt. Toehoorders stonden relaxed mee te bewegen, ik zag er zelfs een aantal dat hun mobieltje in hun broekzak opborg, om écht te gaan luisteren.
Op de Schupstoel raakte ik verzeild in een publiek met veel telefoons, alle waren ze gericht op de artiesten, om ze te fotograferen. Een groep meisjes – één jongen was erbij, het deed me denken aan de tijd dat mijn dochter op ballet zat, toen was er ook altijd één jongen in de les – danste geconcentreerd een fragment klassiek ballet. Ademloos keek een rij kleinere meisjes in schattige pakjes toe, zij hadden waarschijnlijk net hun kunsten vertoond, of waren bijna aan de beurt.
Plots werd ik me ervan bewust dat ik schuin achter mijn overbuurvrouw stond. Er ging een schokje door me heen, omdat ik net aan haar had gedacht. Ik tikte op haar schouder en heette haar welkom thuis; ze was net terug van een reis met man en hond. Samen stonden we even vertederd van de ballerina’s van studio Rozemarijn uit de Bakkerstraat te genieten, toen moest ik door naar de trein.
Terwijl ik ons bruisende stadje doorkruiste, realiseerde ik me dat dit de laatste week voortdurend gebeurt: ik denk aan iemand, vervolgens ontmoet ik hem of haar. Zo reed ik van A. naar Z. van de week, terwijl ik me een ogenblik afvroeg hoe het zou zijn met een juf van mijn kinderen, toen ze op de lagere school zaten. U begrijpt het – een half uur later kwam ik haar tegen. Ik liep met mijn hond door het Oude Bornhof, terwijl schoolkinderen zich rondom het standbeeld van Maité Duval verzamelden. Er klonk gegiechel over het bronzen naakt en daar verscheen ze: de juf die net in mijn hoofd had gezeten, althans – een gedachte aan haar.
Het bracht me bij een artikel dat ik onlangs las, over de dichter Agnès Snitker. Net voor haar vijftigste verjaardag kwam er een einde aan haar leven, omdat ze werd opgeslokt door een onverwachte vloedgolf. Ze was op een Canarisch eiland, waar een vriendin van haar woonde. Die werd in dezelfde golf meegetrokken, maar kon zich nog net vastgrijpen aan een rots.
Eenmaal in de trein – én verbonden met het netwerk van de spoorwegen, dat is nog een klus op zich – zocht ik het stuk op. Volgens journalist Alma Mathijsen waren Snitkers teksten voorspellend. Ze citeert onder meer: Gedachten keren zich / spelen en denken / de tijd achterstevoren. / Adem wordt vloeibaar / Treedt buiten zijn oevers. / Ik vlinder in zelf / geschapen zeeën op zoek / naar de Dood. Dit schreef Snitker enkele maanden voor ze verdronk.
Terwijl het landschap aan me voorbijtrekt, hoop ik vurig dat ik geen voorspellende gave heb. Niet in mijn hoofd, en niet in tekst. Die plotselinge ontmoetingen van de afgelopen week vielen me toe. Met een zucht van verlichting veer ik terug op het NS-blauw.
Dat is wat toeval doet; het valt je toe. Gewoon van genieten.