Columns

De g

Daar zijn we weer! Dezelfde krant, dezelfde rolverdeling: u lezer, ik stukkieschrijver. Wel bevinden we ons plotseling aan de andere kant van de zomer. Wat is-ie snel voorbij hè? Ik moet oppassen dat ik niet als Gerard Cox ga klinken, maar snel ging-ie.
Over klinken gesproken… daar is iets mee. Met dat werkwoord, en met mij.
Afgelopen maand stond ik in Trouw. In een korte rubriek, “De zin van…” geheten. Geïnterviewden worden daarin gevraagd naar een levensmotto, of een inspirerende regel. Ik vond dat een leuk verzoek en vertelde over hangmatten, ons Foodsoulbos in Almen, en een gedicht dat ik op een groot houten bord wilde schrijven, om op te hangen in ons restaurantje aldaar.
De journalist wilde weten hoe dat gedicht luidt. Innerlijk juichte ik, al wiegend onder de paardenkastanje; jippie: mijn vers komt in de krant! Dat kan een dichter niet elke dag zeggen. Het interview vond overigens telefonisch plaats, vandaar dat ik vanuit zo’n luxe, horizontale positie ondervraagd kon worden.
‘Zal ik het mailen?’ vroeg ik de journalist, nadat ik het gedicht had voorgedragen.
‘Doe dat maar,’ antwoordde zij. We praatten nog even over regeneratieve landbouw en enorme courgette-oogsten. Toen was het tijd om pruimentaarten te bakken en namen we afscheid.
Op de dag dat de betreffende rubriek verscheen, moest ik nog beginnen aan mijn schilderproject. De verf was in huis, net als de kwasten. Het was de afmeting van  het grote houten bord dat me had tegengehouden. Hoe deelde ik zo’n enorm oppervlak in? Op een hete zomeravond was ik zover. De ondergrond had ik inmiddels groen, nu was het tijd om letters te gaan zetten.

Zo bezongen
klinkt het bos
weer heel anders –

schreef ik. Althans, dat dacht ik. Er stond:

Zo bezongen
klingt het bos
weer heel anders –

Ik was zo geconcentreerd bezig, dat ik het zelf niet doorhad. Een voedselbos-collega maakte me erop attent. ‘Ik dacht dat ik dyslectisch was,’ grapte geliefde. ‘Het is blijkbaar besmettelijk,’ zei ik. Klaar om de eerste strofe weer met groen over te schilderen. Of in elk geval de g.

Om de reeks nieuwe columns rustig aan te beginnen, kom ik graag terug op waar ik voor de vakantie mee eindigde, namelijk de roep om ollekebollekes, een versvorm die in het Nederlandse taalgebied werd geïntroduceerd door Doctorandus P. Hij noemde de dichtvorm naar het kinderversje, omdat het metrum overeenkomt met dat van het woord “ollekebolleke”.
Tien kregen we er binnen. Dat metrum bleek een struikelblok.
Toch ben ik bijzonder blij met deze oogst. Het dichtplezier spat van de inzendingen/onzindingen –zoals een deelnemer zijn verzen betitelde. Bart Budding uit Rotterdam heeft gewonnen. Nee, geen stedendriehoekige dit keer. Wel een oud-cursist creatief schrijven. Zijn ollekebolleke is nu eenmaal het best.

 

Komkommertijd?
Ach, zomer, zee van tijd!

Rust om te kijken naar
waar het schuurt, wat nog trekt
wat er aan schort.


Mijmerend, elke dag
komkommertijdgedicht,

denk ik stil bij mezelf:
het was weer veel te kort!