Columns

Bladervacht

We fietsen in de richting van de steeg om de hond naar huis te brengen. Ze heeft net kilometers gerend, zit nu hijgend in de mand voorop, aan het stuur. Terwijl we de hoek omzeilen, zien we een groepje mensen voor onze voordeur staan. Ze kijken van boven naar beneden, en terug. Het ziet er bijna geregisseerd uit. Wanneer we dichterbij komen, zien we dat een van de vier een blad van de wilde wingerd in zijn hand heeft, de plant die onze voorgevel van een bladervacht voorziet.

‘Zeven euro vijftig!’ grapt geliefde. ‘Per blad, bedoel ik.’
De man lacht breeduit. ‘Het is een prachtexemplaar,’ zegt hij. ‘Maar of ik ervoor betalen wil…’ Een zachte g is hoorbaar, zijn toon klinkt zangerig.
Wat ik leuk vind, is dat-ie het blad vast blijft houden, waardoor een lange tak vol bladeren mee omhoog slingert. Op die manier lijkt het of hij het huis de hand schudt. Een groene hand. ‘Wij hadden ook zoiets,’ zegt een van de twee vrouwen in het gezelschap. ‘Wonderschoon, maar hij maakt van die nopjes op de muur.’
‘Dat is een ander soort,’ zeg ik, van de gelegenheid gebruikmakend om weer eens een van m’n stokpaardjes te berijden. ‘Deze laat niets achter op de gevel. Ideaal.’ ‘Het is toch een wingerd?’ vraagt de man, die het blad nu loslaat. De tak valt terug naast de voordeur. ‘Ja,’ zeg ik, ‘maar wel een wilde. Het is een wilde wingerd.’
‘Wij hadden misschien een tamme,’ zegt de vrouw. ‘Hij moest er echt af, want ik wilde die nopjes niet op ons huis.’ Ze kijkt om zich heen. ‘Wat is dit een prachtig straatje,’ zegt ze. ‘Echt een middeleeuws straatje, zo smal en zo oud. U moet weten, wij komen uit Boxmeer.’
‘Ik had u Limburgs gedacht,’ zeg ik, ‘maar u bent dus Brabo’s, net zoals hij.’ Ik wijs op geliefde. Er volgt een levendige conversatie over Brabanders en hun karakter. Dan vertellen de Boxmeerders dat ze gisteren een concert van het Beethovenfestival hebben bezocht. ‘Het was prachtig,’ zegt de vrouw, ‘de akoestiek in die zaal was fantastisch, en de musici ook.’

‘Was het in de Buitensociëteit?’ vraag ik. De vrouw knikt. ‘Er speelde familie van ons mee,’ vertelt ze. ‘Mijn schoonzus zit in het orkest, dus de hele familie kwam zo ongeveer naar Zutphen om het mee te maken, het is echt een soort reünie. En het was mooi, zó mooi…. Hoe heet die pianist ook weer?’ Ze draait zich om naar haar man. ‘Uhh…’ mompelt die, een denkrimpel in zijn voorhoofd, ‘was dat ene Beijer?’ ‘Dat was hem,’ zegt ze, ‘Thomas Beijer. Die jongen kan spelen…’

‘Zeg, moeten we niet eens door?’ vraagt de man die tot nu toe nog niets gezegd heeft. ‘We gaan toch nog een fietstocht maken?’ Ze blijken in een B&B in Brummen te overnachten. We geven tips om er met een mooie omweg naartoe te fietsen. ‘In de herfst wordt-ie nog mooier!’ roept de man nog, wanneer de groep verder loopt.

‘Zeker!’ zwaai ik.

Al bukkend lopen we de voordeur in.

Blij dat het eerst nog zomer wordt.