Sport

Gerrit, Dick en Gerard: drie echte Deventer jongens

In een jaar tijd vlogen drie geboren Deventer Adelaars voorgoed weg. Gerrit Niehaus (7 juli 1940 – 11 februari 2025), Dick Schneider (21 maart 1948 – 27 juli 2025) en Gerard Somer (24 november 1943 – 3 november 2025) gaven vanaf de jaren zestig Go Ahead (Eagles) hun gezicht. Drie klasse spelers, drie karakters, drie echte clubmannen, ook al werd de liefde soms zwaar op de proef gesteld…

De verloren zoon

Gerrit Niehaus

Op 27 februari 2022 wandelden ze gedrieën door De Adelaarshorst. Wietse Veenstra rechts, Dick Schneider links en in hun midden Gerrit Niehaus. Een klaterend applaus golfde van de tribunes richting veld, de mensen rilden al van emotie en wisten nog niet eens wat een onvergetelijke dag het worden zou. Go Ahead versloeg die zondagmiddag Ajax, het werd 2-1, de foto van een juichende Jay Idzes werd iconisch. Dit was in 44 jaar niet voorgekomen, de woorden ‘sprookje’, ‘legendarisch’ en ‘historisch’ buitelden over elkaar heen.

Maar dat hij er was. Niehaus. Dat was minstens zo onvergetelijk. Niehaus – door teamgenoten altijd geroemd als een van de beste spelers van Go Ahead aller tijden – hadden ze al vijftig jaar niet meer gezien bij een wedstrijd in De Adelaarshorst. En dat terwijl je daar zo van kan genieten, daar kwam Gerrit zelf ook achter die bewuste zondag. In De Stentor zei hij beduusd: “Het was zo mooi. Ik heb na onze ereronde met mijn kleinzoons Jorden en Tim de wedstrijd tegen Ajax gekeken. Uniek, en mooier dan op televisie.”

Waarom mijdt een icoon een halve eeuw zijn heilige grond? Soms kunnen de wendingen in het leven als onbegrijpelijk voelen. Niehaus vertelde in de krant: “Ik had in 1970 trammelant met de toenmalige trainer, Barry Hughes. Een man met een babbeltje, ik kon niet met hem overweg. Hij vroeg mij bij de eerste training: ‘Wie ben jij?’ Daar was ik niet van gediend. Ik was 30 jaar, geen jongetje meer. Voelde me in mijn eer aangetast en ben gaan spelen bij Daventria. Samen met mijn vriend Ab Langevoort.” In een documentaire die op ESPN werd uitgezonden onthulde Niehaus wat zijn laatste twee woorden richting Hughes waren geweest: “Nou, doeg!” Zijn manier om ‘tot nooit meer ziens’ te zeggen.

Niets meer, niets minder. Niehaus had twintig jaar rondgelopen bij Kowet, zich laten zien als een Michael Jordan, want springen kon-ie, en de goals reeg de spits aaneen: 72 keer was het raak. Een daarvan was juist tegen Ajax, een goal die Go Ahead verder bracht in de beker. Het was 21 april 1966. De krant kopte: ‘Niehaus verslaat Ajax’. Zijn jaren in het roodgeel zaten vol heldendom, euforie, unieke momenten zoals het tweeluik tegen Celtic, hoge noteringen op de ranglijst. ‘De rossige kuif’, zoals de Deventenaren hem liefkozend noemden, woonde bovendien vlak naast De Adelaarshorst, maar er naar binnen gaan na 1970, ho maar, daarvoor was hij te trots.

De club, voormalig persvoorlichter Wouter Rutgers voorop, waagde er vier stevige gesprekken aan en deed een paar sterke zetten om Niehaus toch weer binnen te halen. Zo werd er een ingang op de Leo Halle Tribune naar Niehaus vernoemd. De duwtjes in de rug van zijn oude makkers, Schneider en Veenstra, hielpen mee. In coronatijd, mei 2020, was Niehaus als de grote surprise verschenen bij de uitzending van Kowet Kijken XXL. “Het was nu of nooit”, zei Rutgers in de jaren van hereniging, “Het is honderd jaar geleden dat onze club verhuisde naar de plek waar we nu spelen. Bij het grote feest mocht Niehaus niet opnieuw schitteren door afwezigheid.”

En dat deed hij dan ook niet. Toeval of niet, sinds hij terugkeerde op zijn grond herleefden oude tijden en klom zijn Kowet weer op naar de regionen die het verliet na het voetbalpensioen van Niehaus. Zijn ‘nou doeg’ veranderde net op tijd in een ‘welkom terug’.

Kwajongen Knakkie

Dick Schneider

Hij kon ijsberen als de beste. Als Go Ahead, zijn Kowet, speelde, vrat Dick Schneider zichzelf bijna op. Kritisch was-ie, mopperen kon-ie, maar bewonderen en glunderen evenzo. Pure clubliefde. ‘Etter en bloed’, zo had hij altijd gespeeld, maar dat bloed was altijd roodgeel.

Smakelijk kon Dick Schneider vertellen waarom hij Knakkie werd genoemd: “Ik hield zo van knakworsten, die echt knakten, daar lustte ik er wel tien van.” Met pretoogjes kon hij vertellen hoe hij als speler eind jaren zeventig en beginjaren tachtig terugkeerde naar de ‘iekels’ zoals hij het uitsprak, om de club van degradatie te behoeden. Geen grootspraak, maar feiten. Onvergetelijk zijn rentree op 5 maart 1983. “Ze hadden Jan Jongbloed en mij uit ons pensioen gehaald. Ik vergeet het nooit meer. We holden het veld op en negen jongens stonden al klaar toen er nog twee aan kwamen wandelen. Dat waren Jongbloed en ik. Het ging ons toen al te snel.”

Tegenstander NEC leek er overheen te lopen, het werd 0-1 en toen dreigde Schneider de bal richting Jongbloed terug te passen, een typische ‘tikkie terug Jaap’ uit de strip FC Knudde lag op de loer. Maar Knakkie zag uit zijn ooghoeken NEC-spits Henk Grim aan komen stormen, draaide zich parmantig op, Grim verdween in de leegte en de bal ging van Schneiders voet in vliegende vaart naar voren. Wereldpass. Het gejuich was oorverdovend en de Eagles kregen vleugels aan de hand van de maestro: het werd 5-1.

Knakkie kon zo mooi ‘local hero’ zeggen. Die benaming gaf hij aan Gerrit Niehaus en als hij dat dan zo zei, werden zijn ogen een beetje vochtig. Zijn hart liep over als het om Kowet en zijn iconen ging, maar als er één een local hero was, was het Schneider zelf. Veel later, toen hij zijn prachtige werk voor het hospice verrichtte, waren de mensen altijd blij juist hem te zien. Knakkie. Toch een iconische speler en als mens een geweldige kerel met humor, liefde en zorg.

Bijna had hij geschitterd op het WK in 1974, maar ja, hij was een man met trots en dat zat hem soms zo in de weg, want waarom had ie zich nou toch druk gemaakt om van die commerciële deals waaraan hij niet mee wilde doen? In zijn eigen Adelaarshorst had hij nog wel een keer een penalty voor Oranje genomen. Tegen IJsland. Duizenden keren kon hij dat smakelijk vertellen, hoe het hele stadion, volgepropt met 24.000 mensen, om Knakkie smeekte, maar Johan Cruijff al achter de bal stond. Knakkie nam een sprint, gaf de bal een knal en… “toen juichte het hele stadion die bal in de goal. Hahaha!”

Dick, zoon van de stad, zoon van De Adelaarshorst. Met smaak kon hij praten over zijn jeugd: “Ik heb mijn trap geleerd op de stoep. Op de muur van het stadion tekenden we vakken met punten. En dan maar mikken. Oefenen, oefenen, oefenen. Urenlang. En als het eerste trainde, stond ik achter het doel. Alle ballen die over vlogen, moest je terugspelen. Vanaf mijn derde, vierde, ach, eigenlijk al vanaf mijn eerste stappen, was ik bij Go Ahead. Kwajongens waren we. Ik vergeet het nooit meer: als het veld was afgelast, gingen wij – de jochies van de wijk – snel het veld op. Jan de Kreek, oud-international en tevens terreinknecht, riep dan woedend: ‘Als ik oe kriege!’ ‘Ja moar, ie kriegt ons niet!’ riepen we dan.”

Boegbeeld van de jaren zestig

Gerard Somer

In het koffietafelboek dat Kick Uitgevers in 2018 maakte, kun je eindeloos turen naar de pagina’s 204-205. Elftalfoto van Go Ahead in De Kuip, 1 oktober 1967, elftal dat aanschurkt tegen de nationale top. Er zitten 63.000 mensen op de tribune, aanvoerder Gerard Somer heeft Nico van Zoghel, Dick Schneider, Gerard Wüstefeld, Henk Warnas, Issy Greving, Peter Ressel, Gerrit Niehaus, Pleun Strik, Wietse Veenstra en Koos Knoef om zich heen. Proef de namen, zie hoeveel er nog international werden: bijna de helft.

De kapitein van het roemrijke elftal, Gerard Somer, was het boegbeeld. Netjes, fanatiek maar fair, de bikkelaar van het duo dat hij met de sierlijke Henk Warnas vormde. Zijn eigen woorden, want bescheidenheid was hem niet vreemd. Roemde je Somer, dan roemde je in zijn ogen ook kompaan Warnas: “Vaak hadden we genoeg aan een simpel oogcontact, we vulden elkaar uitstekend aan.”

De foto’s van vroeger, ze vertellen de verhalen. Somer in duel met Cruijff, een onvergetelijk beeld. De geboren Deventenaar had een geweldig inzicht, kon verdedigen als de beste, scoorde zelf ook nog eens 21 goals voor roodgeel én, heel opvallend, kreeg in al die jaren geen enkele rode kaart, dat paste hem niet. Soms een gele prent voor praten, want dat doen aanvoerders nu eenmaal. En Somer, dat was een man die opkwam voor zijn jongens, sociaal en collegiaal als hij was. Hij was het die opkwam voor de rechten van de spelers en het zelfs durfde op te nemen tegen de autoritaire manager Wim Beltman. Als zeventienjarige van het tweede elftal had hij al het lef wat zijn ontevreden oudere ploeggenoten ontbeerden: zeggen dat ‘zij van het tweede’ er maar een beetje bij hingen. Beltman gooide tien briefjes van honderd gulden naar Somer met de toevoeging: “Sodemieter jij dan maar op naar AGOVV.” Blufpoker, want als er iemand was die Beltman graag bij de club hield? Dan was het de zeer getalenteerde Somer wel.

En dus zou Gerard jaren en jaren bij zijn Kowet blijven spelen. Jaren waarin de club derde werd, vierde, een paar keer vijfde. In de eredivisie. Jaren waarin Ruud Geels er bijkwam, Bert van Marwijk doorbrak, John Oude Wesselink hem kwam vergezellen in de defensie. Maar op iedere elftalfoto zie je het. De band om de arm van de geboren leider, de vader van de ploeg: Somer.

Later, veel later, keerde hij terug bij zijn Go Ahead als technisch manager, hoofd opleidingen en zelfs even als interim-trainer na het ontslag van Mike Snoei in 2008. Hij had zich daarvoor al, in de jaren tachtig, onsterfelijk gemaakt bij Heracles door als trainer die club in 1985 te laten promoveren naar de eredivisie met spectaculair voetbal.

Na zijn pensioen bleef Somer trouw De Adelaarshorst bezoeken, altijd open voor een praatje, soms lovend, soms kritisch, zoals hij zijn columns voor het platform Deventer Voetbal schreef. De kritiek kwam uit een roodgeel hart, Somer at, dronk en inhaleerde Go Ahead als een clubman die zo ontzettend graag wilde dat het weer net zo goed ging als in zijn gloriedagen.

Gelukkig. Gerard Somer zag live in de Kuip hoe Go Ahead anno 2025 klaarspeelde wat de gouden generatie van toen net niet was gelukt in de bekerfinale van 1965. Mooi hoe de helden van weleer voorafgaand aan de finale op de nationale televisie konden verhalen over de tijd van toen. Somer zei in de aanloop naar AZ – Go Ahead: “Op de dag van de bekerfinale vertrokken we ’s morgens met de bus vanuit Deventer. Dit was nog een bus zonder televisie, maar wel een van de eerste bussen die over een kaarttafeltje beschikte. Ter hoogte van Schoonhoven stopten we om een hapje te eten en hield trainer František Fadrhonc zijn wedstrijdbespreking.” Die woorden, het beeld dat hij opriep, het was van een schitterende eenvoud en het herbergde zijn verlangen naar waar voetbal om draait: het geluk van een geweldig elftal.