Columns

Festivalblues

We hadden ons met z’n vijven een halve picknicktafel toegeëigend. De andere helft was voor een ander, groter gezelschap en daarom wisselden die elkaar steeds af. Wie even niet kon zitten ging drankjes halen, ten slotte waren we op een bierfestival beland. De zon scheen lekker door, het terrein was precies groot genoeg voor deze formule en werd omzoomd door frisgroen gebladerte dat de wind tegenhield. Langs de randen stonden de kramen van diverse brouwerijen uit de regio opgesteld. De dj van dienst liet op een prettig volume passende zomerse klanken uit de draaitafels op ons neerdalen.
De meesten van ons hadden elkaar al even niet gezien, dus er viel een hoop bij te praten over werk, opleiding, vakanties of naderend pensioen. Niks bijzonders. Toch ging het al snel over de staat waarin onze wereld zich bevond. Over landen en regio’s waar heel veel mis was of dreigde mis te gaan. De uiteindelijke algemene conclusie was dat we maar weinig licht zagen aan het einde van de tunnel. We zaten hier zelf natuurlijk wel even in een prettige bubbel, dat ook. Dat maakte het gebrek aan perspectief ook nog wat extra schrijnend, bedacht ik, terwijl mijn blik onwillekeurig over het festivalterrein dwaalde. Over zorgeloos spelende kinderen in de zandbak, hakend aan een slordige rij voor een populair craft biertje, langs twee zomers geklede vriendinnen die al geinend samen friet knabbelden uit een ouderwets grote puntzak.
Ik nam nog een slok van een fris blond biertje van een Zutphense brouwerij. Dit was echt een topper. Die echte wereld leek hier dus oneindig ver weg, bestond ie überhaupt wel? En wat als je hier zou kunnen blijven? Misschien was dit ook wel wat iedereen die hier aanwezig was even nodig had. Een paar uurtjes onder een stolp van gemoedelijkheid en kameraadschap kunnen duiken. En dan straks weer de fiets opscharrelen en met nieuwe energie de wereld in karren. Er ondertussen maar het beste van hopen. Ik werd uit mijn lethargie gehaald door een: ‘doen we nog een rondje?’ Omdat iedereen vragend naar mij keek wist ik genoeg. We zouden nog even blijven. Ik besloot er dan maar zo lang mogelijk over te gaan doen en koos voor de brouwerij die het verste van onze tafel af stond.